11. Voor deze jurisprudentie zij in de eerste plaats verwezen naar de hiervoor onder 9 genoemde beschikkingen van 26 maart 1999 (NJ 1999, 653, 654 en 655, m.nt. S.F.M. Wortmann). In haar noot die de drie beschikkingen van 26 maart betreft, constateert Wortmann dat de hoge motiveringseisen die uw Raad voor weerlegging van een beroep op de uitzondering tot uitgangspunt neemt, in feite ertoe leiden dat de hoofdregel van de beëindiging en de beperkte uitzondering daarop van niet-beëindiging zich niet meer tot elkaar zullen verhouden als regel en uitzondering; dit, omdat beëindiging van de alimentatie veelal tot inkomensachteruitgang zal leiden zodat een beroep op de uitzondering dan steeds aan de orde is en de hoge motiveringseisen die onder het oude recht voor limitering golden en waaraan uw Raad refereert, ertoe hebben geleid dat limitering in het oude recht vrijwel niet aan de orde was. Wortmann wijst erop dat het verschil met de limiteringsrechtspraak onder het oude recht dan alleen is dat bij die oude limiteringsgevallen de alimentatieplichtige de bijzondere omstandigheden die limitering zouden kunnen rechtvaardigen diende aan te voeren terwijl bij de overgangsbepaling van art. II lid 2 WLA de alimentatiegerechtigde de omstandigheden die niet-beëindiging van de alimentatie kunnen rechtvaardigen dient aan te voeren en aannemelijk te maken.
Verwezen zij ook naar HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 784, in welke beschikking werd geoordeeld dat het hof niet in het midden had mogen laten of beëindiging van de uitkering de vrouw zou noodzaken tot verhuizing ingeval zij niet zou overgaan tot onderverhuur en evenmin of van de vrouw zou kunnen worden gevergd dat zij zou verhuizen dan wel onderverhuren.
Zie verder HR 29 oktober 1999, NJ 2000, 62. In deze zaak had het hof overwogen dat weliswaar onzekerheid bestond over het recht op pensioenverevening van de vrouw maar dat de uitkering in 1989 van f 65.000 haar voldoende gelegenheid had geboden voorzieningen te treffen voor een aanvullend ouderdomspensioen. Uw Raad honoreerde de tegen dat oordeel gerichte motiveringsklacht met de overweging dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is waarom de vrouw het - gehele - bedrag van f 65.000 had behoren aan te wenden om zich een oudedagsvoorziening te verschaffen, terwijl bovendien deze omstandigheid toewijzing van het verzoek van de man alleen dan zou kunnen rechtvaardigen indien aanwending door de vrouw van dit bedrag om zich een aanvullende oudedagsvoorziening te verschaffen zou hebben geleid tot een zodanig inkomen van de vrouw dat zulks toewijzing van het verzoek van de man - mede - zou hebben gerechtvaardigd.
Zie ook HR 3 december 1999, NJ 2000, 118, in welke beschikking werd geoordeeld dat de rechter ook bij beslissingen op de voet van art. II lid 2 WLA de bevoegdheid heeft de alimentatieverplichting gefaseerd te verminderen gedurende de termijn dat deze zal voortduren.
Zie voorts HR 28 januari 2000, NJ 2000, 392, m.nt. S.F.M. Wortmann, in welke beschikking werd overwogen dat in een geval waarin de beëindiging voor de alimentatiegerechtigde een aanmerkelijke terugval in inkomen tot gevolg heeft en daarmee een ingrijpend karakter, de beantwoording van de vraag of de beëindiging zodanig ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, alle omstandigheden van het geval - dus ook die aan de zijde van de alimentatieplichtige - in aanmerking moeten worden genomen en dat een ontkennende beantwoording van die vraag in geen geval kan worden gerechtvaardigd door de enkele omstandigheid dat de terugval in inkomen de alimentatiegerechtigde niet "behoeftig" maakt in de - in die zaak - door het hof bedoelde zin. Voorts werd overwogen dat 's hofs oordeel dat niet valt in te zien waarom de vrouw niet kan interen op haar vermogen en waarom zij dit vermogen niet kan omzetten in een lijfrente, niet voldoet aan de hoge motiveringseisen die aan een limiteringsbeslissing moeten worden gesteld.
Zie verder nog HR 5 september 2003, NJ 2003, 618. In deze zaak had het hof geoordeeld dat van de vrouw gevergd had kunnen worden dat zij vanaf 1990 fulltime was gaan werken en reserveringen had getroffen voor een oudedagsvoorziening en dat zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering had afgesloten en dat van de vrouw thans gevergd kan worden dat zij in de eerstkomende jaren extra voorzieningen treft ter aanvulling van haar AOW en pensioen. Uw Raad overwoog dat het hof - in aanmerking genomen dat de WLA tot uitgangspunt heeft dat de alimentatieverplichting niet onbeperkt behoort voort te duren - zijn oordeel dat de redelijkheid meebrengt dat er voor de man uitzicht komt op een beëindiging van de alimentatie niet nader behoefde te motiveren dan het heeft gedaan en dat het hof zijn beslissing de alimentatie te verminderen teneinde een ingrijpende wijziging in een keer te voorkomen en de vrouw de mogelijkheid te geven zich aan de nieuwe situatie aan te passen, en deze (uiteindelijk) definitief te beëindigen in 2011, toereikend heeft gemotiveerd.
Zie voorts Asser-De Boer, 2002, nr. 633c-d. De Boer wijst - onder verwijzing naar de door mij genomen conclusie voor HR 22 oktober 1999, NJ 1999, 784 - erop dat niet onder alle omstandigheden mag worden uitgesloten dat de alimentatieplicht de facto een levenslang karakter krijgt (nr. 633d).