ECLI:NL:PHR:2006:AY0187
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafbaarheid van vervoer van vreemdelingen zonder geldig visum onder Vreemdelingenwet 2000
In deze zaak stond centraal of de tenlasteleggingen tegen de verdachte, een vervoerder van vreemdelingen, correct waren geformuleerd en of de feiten strafbaar waren. De tenlasteleggingen verwezen onjuist naar een vervallen wetsartikel (art. 6 Vreemdelingenwet Pro oud), waardoor het hof oordeelde dat de feiten niet strafbaar waren. De Hoge Raad stelde echter vast dat de tenlasteleggingen wel alle bestanddelen bevatten van de strafbare feiten zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000, met name art. 3.1 en 4.1.
De feiten betroffen het vervoer van vreemdelingen die niet over het vereiste visum beschikten en die op Nederlands grondgebied werden gebracht. De Hoge Raad benadrukte dat de verwijzingen naar oude wetsartikelen het bewijs en de strafbaarheid niet teniet doen. Tevens wees de Hoge Raad op een systeemfout bij het Openbaar Ministerie die tot de onjuiste verwijzingen leidde, maar vond dat dit niet ten koste mocht gaan van de strafbaarheid van het feit.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het niet naleven van de vervoerdersverplichtingen onder de Vreemdelingenwet 2000. De uitspraak onderstreept het belang van correcte tenlasteleggingen, maar laat de inhoudelijke strafbaarheid prevaleren.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het vervoer van vreemdelingen zonder geldig visum strafbaar is onder de Vreemdelingenwet 2000 en verwerpt het cassatieberoep.