ECLI:NL:PHR:2006:AX9398
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde europallets en stelplicht in schadevergoeding tussen transportonderneming en groothandel
In deze zaak staat de vergoeding van niet teruggegeven europallets en onbetaalde facturen tussen een transportonderneming en een groothandel centraal. De transportonderneming (verweerster) stelde dat ETB (eiseres tot cassatie) een palletschuld had van 830 stuks, elk gewaardeerd op ƒ 30,- (€13,61). ETB betwistte deze waarde onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de stellingen van verweerster voldoende gemotiveerd waren en dat ETB haar betwisting niet voldoende onderbouwde. Hierdoor werd de door verweerster gestelde waarde als vaststaand aangenomen. ETB voerde in cassatie aan dat de rechtbank en het hof onvoldoende inzicht hadden gegeven in de waarderingsgrondslag en dat de waarde van gebruikte pallets lager zou moeten zijn, maar deze klachten werden verworpen.
De Hoge Raad benadrukte de relatief beperkte stelplicht van een eiser die schadevergoeding vordert en bevestigde dat bij gebrek aan een voldoende gemotiveerde betwisting de door verweerster gestelde waarde als vaststaand geldt. Ook het uitblijven van bewijsstukken door verweerster deed hieraan niet af. De cassatie werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van ETB wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.