ECLI:NL:PHR:2006:AX9183

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
02041/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij termijnoverschrijding wegens psychiatrische stoornis

In deze zaak heeft de verdachte cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarbij hij bij verstek was veroordeeld voor poging tot zware mishandeling. Het cassatieberoep werd echter tardief ingediend, dat wil zeggen na het verstrijken van de wettelijke termijn.

De verdediging voerde aan dat de termijnoverschrijding verontschuldigbaar was vanwege de psychiatrische toestand van de verdachte, die mogelijk leed aan schizofrenie. Daarnaast werd aangevoerd dat de griffier van het hof naliet de advocaat van verdachte te informeren over de zittingsdatum in hoger beroep.

De Hoge Raad overweegt dat voor een verontschuldiging van een termijnoverschrijding concrete en onderbouwde feiten in het dossier moeten zijn opgenomen. Omdat de schriftuur geen nadere onderbouwing of relevante stukken bevatte, en de Hoge Raad zelf geen onderzoek kan doen, kon niet worden vastgesteld dat de overschrijding de verdachte niet kon worden toegerekend.

Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De Procureur-Generaal stelde zich gereed om, indien nodig, alsnog inhoudelijk op de middelen in te gaan, maar dat was niet aan de orde.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening zonder voldoende onderbouwing van de verontschuldiging.

Conclusie

Nr. 02041/05
Mr. Machielse
Zitting 20 juni 2006
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 28 september 2004, oordelende bij verstek, het vonnis van de politierechter te 's-Gravenhage van 11 september 2003, waarbij verdachte bij verstek voor poging tot zware mishandeling is veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf, bevestigd.
2. Mr. J.W. van Leeuwen, advocaat te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden houdende drie middelen van cassatie.
3.1. De schriftuur stelt eerst de ontvankelijkheid van het cassatieberoep aan de orde. De verstekmededeling, betrekking hebbende op de veroordeling in appel, is blijkens een zich bij de stukken bevindende kopie van een akte van uitreiking aan verdachte in persoon uitgereikt op 2 februari 2005.
De steller van de schriftuur voert aan dat verdachte psychiatrisch patiënt is bij wie op 1 januari 2004 aanwijzingen werden gevonden voor chronisch recidiverende psychotische ziekteverschijnselen. Het vermoeden bestaat dat verdachte aan schizofrenie lijdt. Een andere omstandigheid die een rol behoort te spelen is, aldus de steller van de schriftuur, dat de griffier van het hof verzuimd heeft de advocaat die zich voor verdachte had gesteld op de hoogte te stellen van de dag van behandeling in hoger beroep. Verdachte heeft een vaste advocaat en stelt alleen in hem vertrouwen.
3.2. Vooropgesteld dient te worden dat de wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor hoger beroep of cassatie door de verdachte betekent in de regel dat hij niet in dat beroep kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn.(1)
3.3. Als hoger beroep wordt ingesteld en verdachte of zijn raadsman verschijnt, kan deze uitleggen waarom het hoger beroep is ingesteld na afloop van de in artikel 408 Sv Pro genoemde termijn. Verdachte of advocaat kunnen dan wijzen op omstandigheden die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar doen zijn en minstgenomen kan van het hof dan worden verlangd dat het naar deze omstandigheden een nader onderzoek instelt.(2)
De ruimte die de cassatierechter heeft om zo een onderzoek in te stellen is echter zeer beperkt. Uit de stukken waarvan de Hoge Raad kennis neemt zal direct moeten kunnen blijken dat het termijnverzuim niet aan verdachte toe te rekenen is. Het ligt op de weg van de steller van het cassatiemiddel hetzij om de aandacht te vestigen op zodanige zich in het dossier bevindende stukken(3), hetzij deze stukken als bijlagen te voegen bij schriftuur. Dat is in deze zaak niet geschied. De Hoge Raad is zelf niet in staat een feitelijk onderzoek te doen naar de vraag van de toerekenbaarheid van het verzuim van de cassatietermijn.
4. Ik kom tot de conclusie dat het cassatieberoep niet ontvankelijk is. Indien de Hoge Raad tot een andere slotsom zou komen houd ik mij gereed om alsnog in een aanvullende conclusie de voorgestelde middelen te bespreken.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Bijv. HR 20 december 1994, NJ 1995, 253; HR 4 mei 2004, NJ 2004, 462; HR 18 januari 2005, LJN AR6618; HR 1 mei 2005, NJ 2005, 194; HR 21 juni 2005, LJN AT4371.
2 HR 7 april 1998, NJ 1998, 577; HR 12 juni 2001, NJ 2001, 696; HR 3 juni 2003, LJN AF5700.
3 Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken heb ik geen psychiatrische rapportage aangetroffen.