ECLI:NL:PHR:2006:AX3219
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over wijziging partneralimentatie en behoefte vrouw na echtscheiding
Partijen zijn in 1973 gehuwd en in 1993 gescheiden, waarbij de man partneralimentatie aan de vrouw moest betalen. De alimentatie werd in de loop der jaren meerdere malen vastgesteld en aangepast, onder meer rekening houdend met de inkomsten van de vrouw en haar WW- en WAO-uitkeringen.
De man verzocht in 2003 primair om de alimentatie met ingang van 1998 op nihil te stellen, stellende dat het hof in 1999 onjuiste of onvolledige gegevens had gebruikt, met name dat de vrouw haar uren niet kon uitbreiden en dat haar WW-uitkering niet was meegenomen. Subsidiair stelde hij dat de vrouw inmiddels eigen inkomsten had, onder meer uit pedicurewerkzaamheden.
Het hof wijzigde de alimentatiebedragen voor de jaren 1998 tot 2004 en stelde dat de behoefte van de vrouw vanaf 1 januari 2004 nihil was, mede rekening houdend met inkomsten uit pedicurewerkzaamheden, een ontslagvergoeding en een erfenis. Het hof bepaalde tevens dat de vrouw teveel ontvangen alimentatie moest terugbetalen.
In cassatie klaagde de man dat het hof ten onrechte de behoefte van de vrouw vanaf 2005 nihil achtte zonder nadere motivering, terwijl de vijfjaarstermijn voor verrekening van de ontslagvergoeding was verstreken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende inzicht had gegeven in zijn gedachtegang over de behoefte na 2004, waardoor de motiveringsklacht slaagt. Het incidenteel cassatieberoep van de man over de vermeende onjuiste vaststellingen over de uitbreiding van de uren van de vrouw faalt.
De Hoge Raad concludeert tot vernietiging van de eindbeschikking van het hof en verwerping van het incidenteel beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofsoordeel over de nihilbehoefte vanaf 2005 wegens onvoldoende motivering en wijst het incidenteel cassatieberoep af.