ECLI:NL:PHR:2006:AW0066
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling voor oplichting door valse naam en hoedanigheid bij kredietaanvraag
De verdachte werd door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens oplichting en poging tot oplichting, gepleegd door het aannemen van een valse naam en hoedanigheid om krediet te verkrijgen op naam van een ander. De zaak betrof kredietaanvragen waarbij de verdachte een derde, die hem vertrouwde, gebruikte om leningen te sluiten ten behoeve van zichzelf, terwijl hij de aflossingen zelf zou regelen.
De Hoge Raad oordeelde dat klachten over de dagvaarding en oproeping in cassatie niet ontvankelijk zijn indien deze eerder niet aan de feitenrechter zijn voorgelegd. Het hof had terecht geoordeeld dat de verdachte bedrieglijk handelde door zich telefonisch voor te doen als de derde en zo krediet te verkrijgen. De schade van de derde werd als rechtstreeks door de oplichting toegebracht beschouwd, maar de Hoge Raad vernietigde dit deel van de uitspraak omdat de derde als mededader of willoos werktuig niet als benadeelde partij kon worden aangemerkt.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof de oproeping niet nietig hoefde te verklaren ondanks onregelmatigheden in de betekening, omdat de verdachte in hoger beroep afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De klachten over de bewijsvoering faalden, waarbij het hof aannemelijk had gemaakt dat het krediet niet zou zijn verstrekt als de kredietverstrekker de ware toedracht had gekend. De zaak werd deels vernietigd en deels verworpen.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor oplichting; schadevergoedingsmaatregel aan benadeelde partij is vernietigd.