ECLI:NL:PHR:2006:AV8326
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van uitlevering aan Kenia bij verdenking van drugshandel en beoordeling risico schending fundamentele rechten
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een verdachte aan Kenia wegens verdenking van handel in grote hoeveelheden cocaïne. De rechtbank Rotterdam had de uitlevering toelaatbaar verklaard, waarbij het ne bis in idem-verweer en het risico op schending van fundamentele rechten werden verworpen. De verdachte werd onder meer verdacht van het opslaan en handelen in honderden kilo's cocaïne op verschillende locaties in Kenia.
De verdediging voerde aan dat uitlevering ontoelaatbaar was vanwege een lopende strafzaak in Nederland over een deels hetzelfde feitencomplex (ne bis in idem) en vanwege het risico op schending van het recht op een eerlijk proces en andere fundamentele rechten in Kenia. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing was en dat onvoldoende concreet risico op flagrante schending van artikel 6 EVRM Pro was aangetoond.
De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het zorgwekkende ambtsbericht over de mensenrechtensituatie in Kenia, waaronder mogelijke beïnvloeding van de rechterlijke macht, gebrek aan kosteloze rechtsbijstand, lange voorarresttermijnen en slechte gevangenisomstandigheden, niet tot het oordeel leidt dat uitlevering ontoelaatbaar is. De Hoge Raad vernietigt daarom het vonnis en bepaalt dat de zaak inhoudelijk door de Hoge Raad moet worden behandeld, met oproeping van de verdachte en een tolk.
De zaak illustreert de strenge toets die aan uitlevering wordt gesteld op grond van het EVRM, waarbij het risico op flagrante schending van fundamentele rechten zwaar weegt, ook als het verzoek gebaseerd is op internationale verdragen tegen drugshandel.
Uitkomst: Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het risico van flagrante schending van artikel 6 EVRM bij uitlevering aan Kenia.