ECLI:NL:PHR:2006:AV6967
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige overheidsdaad en onschuldpresumptie bij schadevergoeding na vrijspraak
In deze zaak vordert een ex-verdachte en zijn dochter schadevergoeding van de Staat wegens de strafvervolging en de toepassing van dwangmiddelen, na een onherroepelijke vrijspraak van de verdachte. De rechtbank wees de vordering van de verdachte af en kende de dochter een beperkte schadevergoeding toe. Het hof vernietigde deels het vonnis en wees een kleine vergoeding toe aan de dochter, maar wees de rest af. De Hoge Raad behandelt in cassatie de vraag of het criterium van 'gebleken onschuld' dat het hof hanteert, in strijd is met de onschuldpresumptie uit art. 6 lid 2 EVRM Pro.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Nederlandse rechtspraak over de onschuldpresumptie en schadevergoeding na vrijspraak. Het hof mag zich niet uitspreken over schuld of onschuld, maar moet toetsen of uit de strafzaak blijkt dat de verdenking ongegrond was. De Hoge Raad oordeelt dat het 'gebleken onschuld'-criterium niet in strijd is met de onschuldpresumptie en dat de burgerlijke rechter zich onthoudt van een oordeel over schuld. De klacht dat het hof de vrijspraak in twijfel zou trekken, wordt verworpen.
De Hoge Raad concludeert dat de vordering tot schadevergoeding terecht is afgewezen omdat niet is gebleken dat de verdachte onschuldig was in de zin van het criterium. De onschuldpresumptie blijft gewaarborgd en de burgerlijke rechter mag geen impliciete schuldvaststelling doen. De cassatie wordt verworpen.
Uitkomst: Cassatieberoep wordt verworpen; schadevergoeding wordt slechts beperkt toegekend aan de dochter, vordering van eiser afgewezen.