ECLI:NL:PHR:2006:AV6214

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03034/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 399 SvArt. 404 SvArt. 427 SvArt. 78 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsmiddel bij verstekveroordeling wegens overtreding APV

In deze zaak werd verdachte op 17 september 2004 bij verstek veroordeeld door de Kantonrechter Rotterdam tot een geldboete van €40 wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Verdachte stelde op 11 januari 2005 hoger beroep in tegen dit vonnis. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage interpreteerde dit echter als een cassatieberoep en zond de stukken door aan de Hoge Raad.

De Hoge Raad stelt vast dat op grond van artikel 404 lid 2 sub b Sv Pro tegen een vonnis waarbij een geldboete van maximaal €50 is opgelegd geen hoger beroep openstaat, maar wel verzet volgens artikel 399 Sv Pro. Het hof had het ingestelde rechtsmiddel dus als verzet moeten aanmerken en de stukken naar de griffier van de rechtbank moeten zenden voor berechting.

Indien in de verzetprocedure dezelfde geldboete wordt opgelegd, staat cassatie open. De Hoge Raad besluit daarom het ingestelde hoger beroep als verzet te verstaan en de stukken aan de griffier van de rechtbank toe te zenden, zodat de rechtbank de zaak op het bestaande verzet kan berechten en afdoen.

Uitkomst: Het ingestelde hoger beroep wordt als verzet aangemerkt en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor berechting.

Conclusie

Nr. 03034/05
Mr Machielse
Zitting 14 maart 2006
Conclusie inzake:
[verdachte](1)
1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft op 20 september 2005 verstaan dat verdachte tegen de verstekveroordeling van de Kantonrechter te Rotterdam van 17 september 2004 voor overtreding van de bepaling van de Algemene Plaatselijke Verordening van Rotterdam, waarbij verdachte een geldboete van € 40,- is opgelegd, geen hoger beroep maar beroep in cassatie heeft ingesteld en dienvolgens het dossier naar de griffier van de Hoge Raad toegezonden.
2. Verdachte heeft op 11 januari 2005 tegen de verstekveroordeling door de Kantonrechter hoger beroep ingesteld.
3.1. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 20 september 2005 overwogen dat tegen het vonnis geen hoger beroep maar cassatie openstond, het ingestelde rechtsmiddel verstaan als beroep in cassatie en de stukken verzonden aan de griffier van de Hoge Raad.
3.2. Ten tijde van de beslissing in eerste aanleg luidde art. 404 Sv Pro aldus dat verdachte tegen een vonnis, als einduitspraak door een rechtbank ter zake van een overtreding gewezen en waarbij verdachte niet van de gehele tenlastelegging is vrijgesproken, hoger beroep openstaat tenzij (lid 2 onder b) geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum van € 50. Omdat in de onderhavige zaak een geldboete van € 40,- is opgelegd stond inderdaad geen hoger beroep open. Wel evenwel verzet op de voet van art. 399 lid 1 jo Pro. lid 3 Sv en geen cassatie, ook al staat dat tegen vonnissen betreffende overtredingen van verordeningen van lagere overheden nog open ongeacht de hoogte van de opgelegde boete (art. 404 lid 3 Sv Pro). Ingevolge art. 427 lid 4 Sv Pro schorst immers verzet de rechtsgevolgen van het cassatieberoep indien, zoals hier het geval is, beide rechtsmiddelen openstaan.
3.3. Het hof had het ingestelde rechtsmiddel als verzet dienen te verstaan en de stukken naar de griffier van de rechtbank moeten zenden. Als verdachte in de verzetprocedure weer tot een zelfde geldboete wordt veroordeeld zou wél cassatie openstaan ingevolge art. 404 lid 3 Sv Pro.
4. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het ingestelde hoger beroep zal verstaan als verzet en de stukken zal doen toekomen aan de griffier van de rechtbank, opdat de rechtbank de zaak op het bestaande verzet zal kunnen berechten en afdoen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met de zaak nr. 03035/05 waarin ik ook heden concludeer.