ECLI:NL:PHR:2006:AV4091

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01101/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 2 OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens verduistering met opzet op wederrechtelijke toe-eigening van rijbewijs

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte bij verstek is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten, waaronder verduistering van een rijbewijs. Het hof baseerde zijn oordeel op het feit dat in de woning van verdachte een koffer met een rijbewijs en valse paspoorten werd aangetroffen, terwijl het rijbewijs een maand eerder als vermist was opgegeven.

De verdediging voerde aan dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer kon worden afgeleid dat verdachte zich als heer en meester van het rijbewijs had gedragen. De Hoge Raad overweegt echter dat het willens en wetens bewaren van het vermiste rijbewijs in een koffer met vervalste documenten, die werden gebruikt voor het verzilveren van cheques, wel degelijk duidt op opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de bewezenverklaring en veroordeling van verdachte tot vier maanden gevangenisstraf. Dit arrest verduidelijkt de toepassing van art. 321 Sr Pro omtrent het begrip wederrechtelijke toe-eigening en de bewijslast daaromtrent.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot vier maanden gevangenisstraf wegens verduistering.

Conclusie

Griffienr. 01101/05
Mr. Wortel
Zitting:28 februari 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker bij verstek wegens (1) "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", (2) "verduistering", (3) "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is en in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is" en (4) "opzetheling" is veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel bevat de klacht dat de bewezenverklaring ter zake van het onder 2 tenlastegelegde niet naar behoren met redenen is omkleed, aangezien uit de gebezigde bewijsmiddelen slechts volgt dat verzoeker een rijbewijs voorhanden heeft gehad dat een maand tevoren als vermist was opgegeven, waaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat verzoeker zich als heer en meester van dat rijbewijs is gaan gedragen.
4. Blijkens de bewijsmiddelen hebben opsporingsambtenaren op 15 augustus 2001 (op grond van het bepaalde in de Opiumwet) een onderzoek in verzoekers woning ingesteld, waarbij zij in een zijkamer naast de woonkamer een geopende koffer zagen en in die koffer twee paspoorten en een rijbewijs aantroffen. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat op 13 juli 2001 aangifte is gedaan van vermissing van het rijbewijs.
5. Verzoekers tot bewijs gebezigde verklaringen houden met betrekking tot de paspoorten in dat verzoeker ze gekocht heeft, dat iemand zijn foto in die paspoorten heeft aangebracht, en dat verzoeker ze gebruikte bij het innen van (gestolen) cheques. Met betrekking tot het rijbewijs heeft verzoeker alleen verklaard dat hij wist dat het in zijn kamer lag.
6. Het is natuurlijk geen ijzersterke bewijsconstructie, maar het lijkt me dat het Hof uit de omstandigheid dat verzoeker het rijbewijs willens en wetens in zijn woning bewaarde, een maand nadat het als vermist was opgegeven, terwijl verzoeker dat rijbewijs in een koffer had gedaan waarin hij ook vervalste of valse paspoorten had zitten die hij gebruikte om zich bij verzilveren van cheques voor een ander uit te geven, wel kon afleiden dat verzoeker zich als rechthebbende van het rijbewijs is gaan gedragen, en het aldus heeft verduisterd.
7. Het middel faalt en leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,