Over de feitelijke toedracht bestaat weinig discussie. [verdachte] is 'over de rooie' geraakt toen [slachtoffer] op het raam stond te bonzen en met zijn hand snijdende bewegingen maakte langs zijn nek. [verdachte] is daarop naar buiten gegaan om hem weg te jagen en heeft een mes meegenomen. [verdachte] en [slachtoffer] hebben op straat een heftige woordenwisseling gehad, waarbij niet is gedreigd met het mes. [verdachte] draaide zich vervolgens om en liep naar de voordeur toe.
[slachtoffer] viel hem echter plotseling van achteren aan door met zijn arm de nek van [verdachte] te omklemmen (en hem zo tegen de grond trachten te werken).
Op dat moment, dus toen [slachtoffer] tegen [verdachte] aanstond met zijn arm om de nek van [verdachte], heeft [verdachte] een stekende beweging achterwaarts gemaakt. Of deze steekbeweging willens en wetens of uit een reflexbeweging is gedaan, laat ik even in het midden.
Die stekende beweging kan in elk geval enkel bedoeld zijn om [slachtoffer] af te weren. [slachtoffer], die veel langer is (1,92 m) 'hing' immers over [verdachte] heen.
Het ongeluk wil nu dat door de steekbeweging de rechterbeenslagader (arteria femoralis) voor driekwart is doorkliefd. [slachtoffer] is vervolgens door verbloeding overleden.
De Rechtbank heeft uit deze feiten voorwaardelijke opzet op de dood geconstrueerd.
Ik ben van mening dat de feiten hooguit (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zware mishandeling (de dood ten gevolge hebbende) opleveren.
[verdachte] heeft min of meer willekeurig in het been van [slachtoffer] gestoken. Andere mogelijkheden waren niet voorhanden. Alleen het rechterbeen was binnen 'steekbereik' ([slachtoffer] stond tegen [verdachte] aan). [verdachte] kon binnen dat steekbereik niet precies richten omdat hij niet kon zien waar hij dan zou steken. De mogelijkheden waren dus wel beperkt:
alleen ergens in het rechterbovenbeen en [verdachte] wist dat.
Het is bekend dat steekwonden in het been over het algemeen niet levensbedreigend zijn. Ook [verdachte] weet dit. Het kan dan ook niet zo zijn dat hij, terwijl hij stak, er rekening mee moest houden dat die ene steek in het been de dood zou veroorzaken.
In juridische zin is er dus geen sprake van een aanmerkelijk kans Dat de kans überhaupt bestaat is met deze zaak wel bewezen, maar kwestieus is of die kans ook aanmerkelijk is.
• In de praktijk blijken steekwonden in het bovenbeen niet levensbedreigend;
• Alleen indien de beenslagader wordt doorkliefd kan een dodelijke verbloeding optreden;
• Een verbloeding uit de beenslagader kan (eenvoudig) worden gestopt door de beenslagader ter hoogte van de lies af te knijpen (zie rapportage Noordzij) zodat overlijden wordt voorkomen;
• De kans dat de beenslagader wordt geraakt door een messteek is klein. Medisch adviseur Noordzij (Lechner consult te Rotterdam) motiveert dit in haar rapportage d.d. 8 maart 2005. De slagader is circa 1 cm in doorsnede en ligt bij de lies aan de oppervlakte. Vanuit daaruit loopt de slagader geleidelijk naar de achterzijde van het bovenbeen ter hoogte van de knie (en wordt naar ik aanneem navenant dunner). De kans dat een willekeurige messteek achterwaarts in de slagader terechtkomt is (rekenkundig) klein. De oppervlakte van het bovenbeen ligt, naar mijn metingen, tussen de 800 en 1.200 cm (Vergelijk: een A4'tje is 623,7 cm) Het steekkanaal dient bovendien voldoende diep te zijn. Dit is mede afhankelijk van de vraag of rechtstandig op het been wordt gestoken of schuin;
Dit leidt tot de conclusie dat de kans op een dodelijke verwonding niet als aanmerkelijk kan worden aangemerkt.
Ter onderbouwing van dit standpunt verwijs ik nog naar de bekende HIV-arresten (HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552 en HR 18 januari 2005, LJN AR1860). Uit die arresten volgt duidelijk dat de objectieve kant van het voorwaardelijk opzet (=de aanmerkelijke kans) ook daadwerkelijk aanmerkelijk dient te zien en bijvoorbeeld niet afhangt van de ernst van het gevolg c.q. het te beschermen rechtsgoed.
De kans wordt bepaald door "de kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten" (HIV-arrest HR 25 maart 2003, r.o. 3.6). Welnu, het is juist zo dat naar algemene ervaringsregelen een steek in het (boven)been niet tot een aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer leidt.
Jurisprudentie:
Hof Arnhem 9 februari 2001 1 keer gestoken dus geen boze opzet.
Rb Middelburg 8 november 2000 LJN AA8439 : Steek in schouder en long doorboord: poging tot toebrengen zwaar lichamelijk letsel. Krantenknipsel over zaak bij de Rb Breda (zie bijlage)
De tweede eis aan voorwaardelijk opzet is dat de verdachte zich wetenschap had van die aanmerkelijke kans dat het (niet gewilde) gevolg zou intreden.
Primair geldt hierbij dat nu er geen aanmerkelijke kans is, [verdachte] ook geen wetenschap hiervan had.
Mocht er (objectief) wel sprake zijn van een aanmerkelijke kans, dan geldt dat [verdachte] hiervan geen wetenschapsbewustheid had. Immers hij verkeerde in de veronderstelling dat hij in het been zou 'prikken' om de belaging van [slachtoffer] te stoppen. Hij zou geen vitale delen in het lichaam raken nu hij enkel in het been zou steken omdat hij enkel in het been kon steken. Dat is wat hij dacht en op basis daarvan heeft hij gehandeld.
Dat hij zich niet bewust was van de kans dat [slachtoffer] zou overlijden, blijkt verder uit het volgende:
• [verdachte] loopt naar binnen nadat hij heeft gestoken: hij wil geen verdere confrontatie met [slachtoffer]. Hij denkt dat [slachtoffer] in het ziekenhuis zal worden behandeld en dat het daarmee klaar zou zijn (verklaring ter terechtzitting d.d. 28 oktober 2004);
• pas nadat hij uit het doucheraam kijkt ziet hij dat [slachtoffer] overleden zou zijn;
• bij de aanhouding vraagt [verdachte] meermaals of [slachtoffer] daadwerkelijk dood is;
Als derde eis voor toepassing van voorwaardelijk opzet geldt dat hij die aanmerkelijke kans, waarvan hij wetenschap had, ook bewust heeft aanvaard (op de koop toegenomen).
Hier geldt dat, mocht de aanmerkelijke kans en de wetenschap aanwezig zijn, [verdachte] niet de kwade kans heeft aanvaard. Dit wilselement maakt dat voorwaardelijk opzet niet louter een normatief begrip is. Er moet wel degelijk worden gekeken en beoordeeld of deze concrete persoon de kwade kans heeft aanvaard.
Nu kan dit subjectieve element worden ingevuld door te kijken naar de uiterlijke verschijningsvorm. De gedraging is dan zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De gedraging 'één keer in het been steken' is naar de uiterlijke verschijningsvorm niet zo zeer gericht op het doden van de persoon, dat daarmee buiten kijf komt komen te staan dat [verdachte] het gevolg heeft aanvaard.
Ik verwijs hiervoor naar
NJ 2003. 556 : bierglas over schouder leeggooien in de richting van een daar staande jongen levert niet op aanvaarding van de kans vanwege de 'uiterlijke verschijningsvorm'. HR 28-9-2004, UN AP4455 : op grond schieten naar wegrennend slachtoffer, die vervolgens wordt geraakt in been; voorwaardelijk opzet op dood niet bewezen.
HR NJ 1998. 731 : "Uit de omstandigheden dat de verdachte het slachtoffer met een geladen pistool heeft geslagen en dat hij heeft deelgenomen aan het ontstane handgemeen kan geen voorwaardelijke opzet op het afgaan van het wapen en de dood van het slachtoffer worden afgeleid". Vergelijk hier het mes met het pistool.
Rb Zutphen 27 november 2002 UN AF 1214 te hard rijden aan linkerzijde weg; dodelijk ongeval, geen voorwaardelijk opzet op dood slachtoffer maar schuld.
Bovendien is door het alcoholgebruik van [slachtoffer] de kans op verbloeding gestegen. Deze omstandigheid kan geen onderdeel uitmaken van 'de uiterlijke verschijningsvorm'.
Ik heb met het voorgaande de drie elementen nagelopen die alledrie bewezen moeten worden om tot een veroordeling wegens voorwaardelijke opzet op de dood van [slachtoffer] te komen.
Acceptatie van het vonnis betekent dat een steekwond in het bovenbeen min of meer automatisch een poging tot doodslag oplevert. Dit kan niet de bedoeling zijn. Er moet een duidelijk onderscheid blijven tussen het steken in het bovenlichaam of hoofd, met de aanmerkelijke kans dat er vitale delen worden geraakt, en het steken in de armen en benen waarbij die kans niet aanmerkelijk is.
Dit voorgaande lijdt tot vrijspraak van het primair te laste gelegde."