1 Zoals uit de aanstonds aan te duiden eerdere cassatieprocedure tussen partijen blijkt, heeft er tussen partijen geschil bestaan over de vraag welke partij als verweerster in deze zaak mocht worden aangemerkt (en daardoor mede: welke naam daaraan gegeven moet worden). Ofschoon naar aanleiding daarvan in de rede ligt dat de verweerster in cassatie ten rechte anders heet, zal ik haar aanduiden bij de naam die ook in de stukken tot nu toe steeds is gebezigd.
2 Ook gepubliceerd in JOR 2005, 117.
3 Ontleend aan rov. 2 en 4.2 van het vonnis van de eerste aanleg van 17 maart 1999, blijkens rov. 4 van de twee tussenarresten van het hof van 8 augustus 2001 met één door mij weggelaten uitzondering (ook) in appel als vaststaand beoordeeld; aan de rov. 7 t/m 11 van een tussenarrest van het hof van 21 augustus 2002; en aan rov. 7 t/m 12 van het in cassatie bestreden arrest. (Ter vermijding van mogelijk misverstand: partijen hebben ieder zelfstandig appel ingesteld tegen het in de eerste aanleg gewezen (eind)vonnis. Dat heeft ertoe geleid dat aanvankelijk, op 8 augustus 2001, twee afzonderlijke tussenarresten zijn gewezen, waarbij o.a. tot gevoegde behandeling van de appelprocedures is besloten. Daarna zijn beide appelprocedures in "enkelvoudige", op beide zaken betrekking hebbende arresten beoordeeld.)
4 Tot zover zijn de feiten ontleend aan rov. 2 van het vonnis van de eerste aanleg van 17 maart 1999.
* Dit tekentje wordt in de daarmee aangeduide voetnoot op de volgende bladzij verduidelijkt.
* Hier stuit ik op een probleem. In het (eind)vonnis van de eerste aanleg wordt verschillende malen vastgesteld dat stukken "aan alle betrokkenen" zijn verstuurd (de verdere vaststellingen van die strekking zijn eveneens met * aangegeven). Het hof heeft in de tussenarresten van 8 augustus 2001 - op zichzelf correct, en dan ook zowel in het vervolg van de appelprocedure als in cassatie niet bestreden - vastgesteld dat deze vaststellingen uit de eerste aanleg in appel als onbetwist vaststonden.
Uit de daarna in appel afgelegde getuigenverklaringen, i.h.b. de verklaring van de getuige [betrokkene 4], zijn intussen sterke aanwijzingen te putten dat de desbetreffende stukken niet aan "alle betrokkenen" zijn verstuurd; en dat, met name, verzending aan notaris [de notaris] en aan [eiser] c.s. veelal achterwege is gebleven. Vermoedelijk verklaart dit waarom het hof in rov. 11 van het eindarrest het zo formuleert, dat het daar bedoelde concept "beweerdelijk" aan alle betrokkenen is gestuurd.
In cassatie wordt over deze oneffenheden niet geklaagd. Ik beperk mij ertoe, ze te signaleren: dit verklaart nader de wat geclausuleerde weergave van de feiten, waartoe ik mij genoodzaakt zie.
5 De vaststellingen uit subalinea's iv, v en vii t/m xii zijn ontleend aan rov. 4.2 van het vonnis van de eerste aanleg van 17 maart 1999, en de vaststelling uit subalinea vii aan rov. 2 van dat vonnis.
6 Ontleend aan het tussenarrest van 21 augustus 2002, rov. 11.
7 Deze hoedanigheid van [betrokkene 3] blijkt o.a. uit rov. 4 van het in cassatie bestreden arrest.
8 Zie voor de twee laatstgenoemde gegevens rov. 6 en 11 van het in cassatie bestreden arrest.
9 Rov. 11 van het in cassatie bestreden arrest.
10 De vaststellingen uit subalinea's xiv t/m xvii zijn voor het overige ontleend aan rov. 4.2 van het in de eerste aanleg gewezen (eind)vonnis.
11 HR 14 juni 1968, NJ 1968, 331, na "O. dat de in het eerste onderdeel..." etc.; aangehaald in alinea 6 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 17 december 1999, NJ 2000, 184 (welke alinea blijkens rov. 3.4 van dit arrest door de Hoge Raad werd "overgenomen"). Zie ook alinea 5 van de conclusie van A-G Hartkamp voor HR 2 februari 2001, NJ 2001, 179.
12 Asser - Hartkamp 4 II, 2005, nrs. 97 - 110, i.h.b. nrs. 102, 103, 105 - 108.
13 In de Nederlandse praktijk, althans voorzover ik die ken, is daarentegen gebruikelijk om ervan uit te gaan dat over langere tijd verlopende onderhandelingen zich "verdichten". Het ligt in de rede dat de ruimte die overblijft om de beoogde overeenkomst op deugdelijke gronden "te laten afspringen" daardoor gaandeweg (enigszins) kleiner wordt. Zie hierover o.a. Verbintenissenrecht (losbl.), Blei Weissmann, Art. 217-227.I, aant. 87 en 88 (waar een zeer uitveorig rechtspraakoverzicht wordt gegeven); Vranken, Mededelings-, informatie- en onderzoeksplichten in het verbintenissenrecht, 1989, p. 110.
14 Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 103; Asser, Civiele cassatie, 2003, p. 49.
15 Het hof verwijst daarbij naar het concept van 18 juli 1997, waarvan vaststaat - al constateert het hof dat niet expliciet - dat daarin de laatste door [betrokkene 2] gedane aanpassingsvoorstellen zijn overgenomen, terwijl [betrokkene 2] als getuige heeft verklaard dat hij die wijzigingen waarschijnlijk wèl met [eiser] c.s. heeft besproken.