ECLI:NL:PHR:2006:AV0656
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toegang tot rechter voor gezamenlijk gezag ongehuwde ouders in strijd met art. 6 EVRM
In deze zaak staat de vraag centraal of de wettelijke regeling in art. 1:252 BW Pro, die bepaalt dat gezamenlijk gezag over een kind van ongehuwde ouders slechts kan worden toegekend op gezamenlijk verzoek, een ongeoorloofde beperking vormt van het recht van de vader op toegang tot de rechter zoals gegarandeerd door art. 6 lid 1 EVRM Pro.
De vader had een verzoek ingediend om gezamenlijk gezag over zijn twee erkende kinderen, maar werd door het hof niet-ontvankelijk verklaard omdat hij dit verzoek niet samen met de moeder had ingediend. De Hoge Raad vernietigt dit oordeel en stelt dat de vader wel degelijk het recht heeft om alleen de rechter te verzoeken gezamenlijk gezag toe te kennen, waarbij de belangen van moeder en kind kunnen worden meegewogen.
De Hoge Raad benadrukt dat deze uitspraak niet in strijd is met art. 8 EVRM Pro, dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven beschermt, maar dat het hier gaat om het recht op toegang tot de rechter onder art. 6 EVRM Pro. De zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor inhoudelijke behandeling van het verzoek van de vader.
Deze uitspraak bevestigt dat de vader niet door de wettelijke eis van gezamenlijk verzoek mag worden uitgesloten van rechterlijke toetsing van zijn gezagsrechten, waarmee de Nederlandse regeling wordt aangepast aan de eisen van het EVRM.
Uitkomst: De Hoge Raad oordeelt dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek om gezamenlijk gezag en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling.