ECLI:NL:PHR:2006:AU9735
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Weigering schone lei wegens tekortschieten in nakoming schuldsaneringsverplichtingen
De zaak betreft de vraag of aan verzoekers bij het einde van de wettelijke schuldsaneringsregeling de zogenaamde schone lei terecht is geweigerd. De rechtbank Arnhem had vastgesteld dat verzoekers toerekenbaar tekort waren geschoten in de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling, onder meer door het niet afdragen van ontvangen gelden aan de boedel en onvoldoende inspanning voor werk.
Het hof bekrachtigde dit oordeel en oordeelde dat verzoekers hadden kunnen weten dat tegenover het verkrijgen van de schone lei een verplichting staat om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen. Het hof vond de tekortkomingen niet van zodanige geringe betekenis dat ze buiten beschouwing konden blijven.
Het cassatiemiddel stelde dat het hof onterecht art. 350 lid 3 sub c Fw Pro als grondslag had genomen en onvoldoende had gemotiveerd welke verplichtingen waren geschonden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof zich baseerde op art. 354 lid 1 Fw Pro en dat de algemene verplichting van schuldenaren om medewerking te verlenen en inkomsten te melden ook uit de wet voortvloeit, niet alleen uit het saneringsplan.
De Hoge Raad concludeerde dat het oordeel van het hof voldoende is gemotiveerd en niet onbegrijpelijk is, en dat de weigering van de schone lei terecht is. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de weigering van de schone lei wegens tekortschieten in de nakoming van schuldsaneringsverplichtingen.