4. Bij beroepschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 4 augustus 2003, is de vrouw onder aanvoering van twee grieven in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij heeft het hof verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen voorzover deze de nihilstelling van haar onderhoudsbijdrage betreft en de beschikking te wijzigen aldus dat de man aan de vrouw met ingang van 1 november 2002, althans per datum waarop het hof dit juist acht, maandelijks en bij vooruitbetaling een bedrag van EUR 600,- dient te voldoen; zij heeft in dat verband aangevoerd dat de in het Trema-rapport alimentatienormen genoemde draagkrachtpercentages van 45% en 60% moeten worden verhoogd tot 80% omdat de man - aldus de vrouw - verantwoordelijk is voor het haar overkomen ongeval waardoor zij volledig arbeidsongeschikt is geraakt.
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 6 augustus 2003, is de man onder aanvoering van een drietal grieven eveneens in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank. De grieven van de man richtten zich tegen de beslissing van de rechtbank inzake de alimentatie voor de kinderen. Tevens heeft de man - in verband met de beslissing van de rechtbank de onderhoudsbijdrage voor de vrouw met ingang van 1 november 2002 te bepalen op nihil - verzocht de vrouw te veroordelen om het bedrag dat de man als alimentatie voor de vrouw heeft betaald vanaf 1 november 2002 t/m 30 april 2003, te weten een bedrag van EUR 2.560,88, binnen een week na betekening van de beschikking aan hem terug te betalen.
De vrouw heeft - bij verweerschrift tevens inhoudende incidenteel beroep - het hoger beroep van de man gemotiveerd bestreden en tevens incidenteel beroep ingesteld onder aanvoering van één grief (ter aanvulling van de twee in het door haar ingestelde appel reeds aangevoerde grieven), inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de nihilstelling van de alimentatie ten behoeve van de vrouw met terugwerkende kracht dient in te gaan per 1 november 2002. In haar verweerschrift tegen het hoger beroepschrift van de man tevens inhoudende incidenteel beroep, heeft de vrouw (onder het kopje "Verzoek tot terugbetaling alimentatie" op p. 2) het door de man gedane verzoek om terugbetaling bestreden onder verwijzing naar hetgeen zij stelt in haar incidenteel appel, waarin zij het volgende heeft aangevoerd (p. 4-5):
"Uit het dossier blijkt dat de vrouw een inkomen heeft beneden bijstandsniveau.
De vrouw heeft de betaalde bijdrage voor levensonderhoud van de man opgebruikt ter voorziening in haar eerste levensbehoeften. De vrouw is van mening dat zij, gezien haar (langdurige) inkomenssituatie beneden bijstand niveau alsmede gezien het feit dat zij tot 6 mei 2003 geen rekening behoefde te houden met nihilstelling van alimentatie met terugwerkende kracht. De vrouw is van mening dat gezien haar (inkomens)situatie dit een onbillijke uitkomst is nu het hier gaat om een bijdrage voor periodiek levensonderhoud. De vrouw had en heeft onder deze omstandigheden geen mogelijkheden om gelden te reserveren of om aan een verzoek om terugbetaling te voldoen."
De man heeft een verweerschrift in het incidenteel appel ingediend; hij heeft zijn standpunt herhaald dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt en dat de vrouw geen behoefte aan alimentatie heeft, zodat de alimentatie voor de vrouw op nihil gesteld dient te worden per 1 november 2002, zoals de rechtbank heeft gedaan.
De beide zaken zijn gevoegd behandeld. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof blijkt dat de advocaat van de vrouw heeft verklaard:
"Het incidenteel hoger beroep ten aanzien van de partneralimentatie trek ik hierbij in."
Uit dit proces-verbaal blijkt voorts dat de advocaat van de vrouw tevens heeft verklaard, daarbij haar in het principale appel van de man gevoerde verweer herhalend:
"Terugbetalen kan de vrouw niet, zij heeft van de alimentatie geleefd, dat geld is op. De vrouw heeft ook geen rekening kunnen houden met terugbetaling omdat niet duidelijk was dat de draagkracht van de man zou verminderen (...)."