1 Zie rov. 2 van het in eerste aanleg gewezen tussenvonnis van 31 oktober 2001. Het hof verwijst daar in rov. 4 van het bestreden arrest naar.
2 HR 13 juni 2003, NJ 2003, 521, rov. 3.1, subalinea's (i) t/m (iv).
3 Deze gegevens zijn ontleend aan het (voorafgaand aan de onderhavige zaak) tussen partijen gewezen kort geding-vonnis van 17 maart 2000. Partijen verschillen over die gegevens niet van mening.
4 [Eiseres] vorderde ook nog voorzieningen ten aanzien van enkele andere zaken; maar die laat ik verder buiten beschouwing, aangezien daarover in cassatie niet wordt gestreden.
5 Dit is de naam van de woningbouwvereniging waarvan [eiseres] en [verweerder] de woning hadden gekocht.
6 Het procesrecht van vóór 1 januari 2002 was hier nog van toepassing.
7 Het arrest van het hof is van 10 augustus 2004. De cassatiedagvaarding is op 10 november 2004, en overeenkomstig de wettelijke voorschriften uitgebracht.
8 Behalve dat men de bedoelde regel als vanzelfsprekend kan kwalificeren, kan men die ook "verankeren" door te wijzen op zulke gegevens als de bindende kracht van het eerder (op het eerdere rechtsmiddel) gegeven oordeel, en op de verplichting van de rechter (in dit geval: de rechter die op het tweede rechtsmiddel heeft te beslissen), om zich te conformeren aan eerder door dezelfde instantie gegeven "eindbeslissingen".
9 HR 18 juni 1999, NJ 2000, 221, rov. 3.10; HR 24 september 1993, NJ 1994, 299 m.nt. HER, rov. 3.2; HR 16 oktober 1992, NJ 1992, 791, rov. 4.2; Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nr. 3; Snijders - Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. 50; Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 147; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nr. 256; Broekveld, TCR 2002, p. 71; R.S. Meijer, AAe 2001, p. 538 en p. 540; (kritisch) Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. 1998, nrs. 186 - 194. Zie voor de "parallelle" regel voor cassatieberoep HR 8 juni 2001, NJ 2001, 432, rov. 3.2 (waar naar de "appeljurisprudentie" over dit onderwerp wordt verwezen); Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 59; G. Snijders, TCR 2002, p. 81.
10 Althans: omdat het hof de stellingen van de kant van [eiseres] niet zo heeft hoeven opvatten dat argumenten zoals het middel die aanwijst, daarin zouden zijn aangevoerd; terwijl de uitleg van de door partijen in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen aan de rechter(s) van die instanties is voorbehouden, en daarom in cassatie niet inhoudelijk kan worden getoetst, zie HR 3 juni 2005, NJ 2005, 324 m.nt. JBMV, rov. 3.3.1; HR 18 februari 2005, NJ 2005, 283, rov. 3.6, 3.8.3; HR 21 januari 2005, rechtspraak.nl LJN AR3151, rov. 3.5.1 - 3.5.3; HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1, rov. 4.5; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nrs. 103, 121, 169. Het middel keert zich overigens niet tegen de uitleg die het hof hier aan de stellingen van (de kant van) [eiseres] heeft gegeven.
11 Daartegenover staat dat deze partij ook niet meedeelt in het risico van een negatief verloop van de vermogensverandering (bijvoorbeeld: een waardedaling van onroerend goed waarin middelen zijn geïnvesteerd). Dat wordt door degenen die argumenten als de onderhavige verdedigen veelal uit het oog verloren.