ECLI:NL:PHR:2006:AU7106
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wettelijke basis en aansprakelijkheid werkgever bij overtreding rij- en rusttijden Arbeidstijdenbesluit vervoer
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam over de strafrechtelijke aansprakelijkheid van een werkgever voor overtredingen van voorschriften inzake rij- en rusttijden van werknemers in het wegvervoer. De overtredingen vonden plaats in september en oktober 2001 en betroffen onder meer het vermelden van onjuiste gegevens op tachograafschijven en het niet naleven van minimale rusttijden volgens EEG-Verordening 3820/85.
De verdediging voerde aan dat artikel 8:1, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer geen geldige wettelijke basis heeft voor de daderschapfictie die de werkgever als normadressaat aanmerkt, en dat dit in strijd zou zijn met het legaliteitsbeginsel en artikel 91 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad oordeelt echter dat de regeling steunt op artikel 5:12 van Pro de Arbeidstijdenwet en dat de strafbaarstelling van overtredingen is opgenomen in de Wet op de economische delicten. De regeling wijkt niet af van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht omtrent daderschap en deelneming.
De Hoge Raad bespreekt uitvoerig de wetsgeschiedenis, waaronder de invoering van de daderschapfictie in het Arbeidstijdenbesluit vervoer per 10 januari 2001 en de latere wettelijke verankering in artikel 11:2, tweede lid, van de Arbeidstijdenwet per 18 april 2002. De Raad benadrukt dat de regeling een gedragsnorm voor werkgevers bevat en dat strafbaarheid aan het niet naleven daarvan wordt verbonden, zonder dat dit een onwettige afwijking van strafrechtelijke deelnemingsvormen inhoudt.
De conclusie is dat het hof het tweede en derde lid van artikel 8:1 terecht Pro heeft beoordeeld als een regeling die naast stelplicht en bewijslast ook gedragsnormen voor werkgevers bevat, en dat het middel van de verdediging faalt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de geldigheid van de wettelijke basis voor de aansprakelijkstelling van werkgevers in het kader van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de geldigheid van de wettelijke basis voor de aansprakelijkstelling van de werkgever en verwerpt het cassatieberoep.