ECLI:NL:PHR:2006:AU7092
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt strafoplegging ondanks gemis bij uitvaart door voorlopige hechtenis
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin de verdachte is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen tot een feit onder artikel 10 lid 4 van Pro de Opiumwet. De advocaat-generaal had een hogere straf geëist, namelijk dertig maanden waarvan zes voorwaardelijk.
De verdachte had tijdens zijn voorlopige hechtenis verzoeken ingediend om de begrafenis van zijn vader en broer bij te wonen, welke verzoeken waren afgewezen. Dit vormde het grondslag voor een strafmaatverweer, stellende dat de inperkingen van zijn art. 8 EVRM Pro-rechten (recht op privé- en familieleven) onvoldoende waren meegewogen.
Het hof had niet expliciet op dit verweer beslist, maar had wel de rechtbank gevolgd die erkende dat het niet kunnen bijwonen van de uitvaart een matigende factor was in de strafoplegging. Het hof achtte echter een verdere strafvermindering niet passend.
De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van een expliciete beslissing op dit verweer niet leidt tot vernietiging van het arrest, omdat het hof impliciet de matigende omstandigheid heeft meegewogen maar een verdere strafvermindering niet gerechtvaardigd achtte. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van achttien maanden ondanks het niet kunnen bijwonen van uitvaarten door voorlopige hechtenis.