ECLI:NL:PHR:2006:AU7092

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00251/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 4 OpiumwetArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt strafoplegging ondanks gemis bij uitvaart door voorlopige hechtenis

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, waarin de verdachte is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van voorbereidingshandelingen tot een feit onder artikel 10 lid 4 van Pro de Opiumwet. De advocaat-generaal had een hogere straf geëist, namelijk dertig maanden waarvan zes voorwaardelijk.

De verdachte had tijdens zijn voorlopige hechtenis verzoeken ingediend om de begrafenis van zijn vader en broer bij te wonen, welke verzoeken waren afgewezen. Dit vormde het grondslag voor een strafmaatverweer, stellende dat de inperkingen van zijn art. 8 EVRM Pro-rechten (recht op privé- en familieleven) onvoldoende waren meegewogen.

Het hof had niet expliciet op dit verweer beslist, maar had wel de rechtbank gevolgd die erkende dat het niet kunnen bijwonen van de uitvaart een matigende factor was in de strafoplegging. Het hof achtte echter een verdere strafvermindering niet passend.

De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van een expliciete beslissing op dit verweer niet leidt tot vernietiging van het arrest, omdat het hof impliciet de matigende omstandigheid heeft meegewogen maar een verdere strafvermindering niet gerechtvaardigd achtte. Het cassatieberoep wordt derhalve verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van achttien maanden ondanks het niet kunnen bijwonen van uitvaarten door voorlopige hechtenis.

Conclusie

Griffienr. 00251/05
Mr. Wortel
Zitting:22 november 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij verzoeker wegens "medeplegen van om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, zich of anderen gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen" is veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, met bijkomende beslissingen als in het arrest vermeld.
2. Namens verzoeker heeft mr. B.A. Vink, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. Het enige middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd nadrukkelijk te beslissen op een gevoerd strafmaatverweer, inhoudend dat verzoeker, terwijl hij in voorarrest verbleef, niet in staat is gesteld de uitvaart van overleden familieleden bij te wonen, waardoor een inbreuk is gemaakt op verzoekers in art. 8 EVRM Pro gewaarborgde rechten.
4. Het Hof heeft verzoeker tot de hiervoor genoemde gevangenisstraf van achttien maanden veroordeeld nadat de advocaat-generaal een gevangenisstraf van dertig maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk had gevorderd. Overigens berustte die vordering op dezelfde bewezenverklaring die het Hof heeft bereikt.
Ook in eerste aanleg werd verzoeker veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf. Ook die straf werd opgelegd ter zake van dezelfde bewezen- en strafbaarverklaring.
Blijkens haar overwegingen ter motivering van de straf heeft de Rechtbank in de strafmaat "verdisconteerd [dat] verdachte gedurende zijn hechtenis persoonlijk geen afscheid heeft kunnen nemen van zijn overleden broer".
5. Mijns inziens kan het ervoor gehouden worden dat het Hof de Rechtbank heeft gevolgd in het oordeel dat bedoelde omstandigheid een matigende invloed op de strafmaat moet hebben, maar tevens heeft geoordeeld - zonder dit met zoveel woorden tot uitdrukking te brengen - dat een verdergaande matiging niet gepast is.
6. Daarom behoeft het ontbreken van een nadrukkelijke beslissing op het verweer naar mijn inzicht niet tot vernietiging van de bestreden uitspraak te voeren.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,