ECLI:NL:PHR:2006:AU6285

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00545/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 SrArt. 249 SrArt. 28 SrArt. 251.2 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzetting uit het beroep van turnleraar wegens ontucht met minderjarigen

Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens meerdere gevallen van ontucht met minderjarige pupillen onder zijn hoede als turnleraar. Daarnaast is verdachte voor zeven jaar ontzet uit het recht het beroep van turnleraar uit te oefenen.

Het hof motiveerde de ontzetting met de lange duur van de feiten, het grote aantal slachtoffers en het risico op herhaling. Ondanks dat verdachte slechts een onkostenvergoeding ontving en niet bezoldigd was, achtte het hof zijn activiteiten beroepsmatig vanwege de samenhang, frequentie en duurzaamheid van zijn werkzaamheden.

De Hoge Raad heeft in cassatie het oordeel van het hof bevestigd en het verweer dat het handelen niet binnen het beroep viel verworpen. Tevens heeft de Hoge Raad ambtshalve art. 55 Sr Pro aangehaald vanwege eendaadse samenloop van delicten. Het cassatieberoep is verder verworpen, waardoor het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en zeven jaar ontzetting uit het beroep van turnleraar.

Conclusie

Nr. 00545/05
Mr Machielse
Zitting 8 november 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte op 15 oktober 2004 voor 1; met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd, 2 en 3; ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd, 4; feitelijke aanranding van de eerbaarheid, en 5 en 6; ontucht plegen met een aan zijn zorg, opleiding en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Tevens heeft het hof verdachte voor de duur van zeven jaar de bevoegdheid ontzegd het beroep van turntrainer/ turnleraar uit te oefenen. Het arrest bevat voorts de beslissingen van het hof over de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van maatregelen tot schadevergoeding.
2. Mr M.L. Grootendorst, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.
3.1. Het eerste middel klaagt over de oplegging van de bijkomende straf van de ontzegging het beroep van turntrainer/turnleraar uit te oefenen.
Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:
"Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte, gezien de lange periode waarin, de grote hoeveelheid slachtoffers jegens wie hij de ontuchtige handelingen pleegde, en het risico dat de verdachte zal vervallen in een herhaling van zijn handelen, voor de hierna te vermelden duur ontzet dient te worden van het recht om het beroep van turnleraar/-trainer uit te oefenen. Het hof overweegt hieromtrent nog het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte als gediplomeerd turnleraar/-trainer gedurende een reeks van jaren vrijwel dagelijks turntraining gaf aan een groot aantal pupillen. Gelet op de samenhang, frequentie en duurzaamheid van verdachtes activiteiten binnen de in de bewezenverklaring genoemde turnverenigingen, alsmede gelet op zijn ondergeschiktheid aan de besturen van die verenigingen, concludeert het hof dat de bewezenverklaarde feiten door de verdachte zijn gepleegd tijdens de uitoefening van zijn beroep van turnleraar/-trainer. Van de zijde van de verdachte is hier tegenin gebracht dat hij voor zijn werkzaamheden geen bezoldiging, doch slechts een onkostenvergoeding ontving. Deze omstandigheid doet naar het oordeel van het hof aan zijn voormelde conclusie niets af, nu een bezigheid die als beroep wordt uitgeoefend, het beroepsmatig karakter niet verliest wanneer de activiteit om niet of, zoals in dit geval, tegen vergoeding van onkosten, wordt verricht.
De stelling van de verdachte - daargelaten de juistheid daarvan -, dat hij als gevolg van de onderhavige strafzaak, in de turnwereld so wie so als trainer geen voet meer aan de grond zal krijgen, weerhoudt het hof er niet van de bijkomende straf op te leggen, nu van deze straf naar het oordeel van het hof een speciaal preventieve werking uitgaat."
De steller van het middel voert hiertegen aan dat verdachte de feiten niet heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep omdat niet blijkt dat de door hem gegeven turntrainingen zijn hoofdwerkzaamheid vormden.
3.2. Onder beroep in art. 28 Sr Pro dient te worden verstaan een maatschappelijke werkkring, doorgaans in de vorm van een bezoldigde betrekking. Maar een bezigheid die onbezoldigd wordt verricht op een wijze die overigens op gelijke voet met een bezoldigde betrekking staat zal ook als beroep kunnen gelden.(1) Activiteiten die in deeltijd worden uitgeoefend en niet als full time job kunnen ook een beroepsuitoefening vormen. Het hof heeft in dit verband gewezen op samenhang, frequentie en duurzaamheid van verdachtes activiteiten als turntrainer en aldus geen blijk gegeven van een verkeerde uitleg van het woord beroep in art. 28 Sr Pro.
3.2. Maar ook als verdachtes activiteiten niet als het uitoefenen van een beroep zouden kunnen gelden is de oplegging van de bijkomende straf van de ontzegging uit het beroep voldoende gemotiveerd nu het hof heeft vastgesteld dat de verdachte gedurende een lange periode een groot aantal slachtoffers heeft gemaakt tijdens zijn werkzaamheden als turntrainer en dat de ontzegging van het recht om dat beroep uitoefenen is gebaseerd op de wens herhaling te voorkomen.
Het eerste middel faalt.
4.1. Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft verzuimd art. 55 Sr Pro aan te halen omdat er ten aanzien van de feiten 2, 3, 5 en 6 sprake is van eendaadse samenloop van de delicten van art. 247 en Pro 249 Sr.
4.2. Ten aanzien van de feiten 2, 3 en 6 is er inderdaad sprake van eendaadse samenloop. Feit 5 is gepleegd toen het slachtoffer al ouder was dan 16 jaar en wordt dus niet bestreden door art. 247 Sr Pro.
De Hoge Raad kan eigenhandig het verzuim van het hof herstellen en alsnog art. 55 Sr Pro aanhalen.
5. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het arrest behoort te leiden.
6. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad alsnog art. 55 Sr Pro zal aanhalen en het beroep voor het overige zal verwerpen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad de der Nederlanden
1 NLR 19/28.