ECLI:NL:PHR:2006:AU5681
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid van borgtocht zonder toestemming echtgenote bij aandelenlevering na borgstelling
In deze zaak staat centraal of een echtgenoot die bestuurder is van een BV, maar op het moment van het aangaan van een borgtocht nog geen aandelen heeft geleverd gekregen, kan worden gelijkgesteld aan een bestuurder-aandeelhouder die geen toestemming van zijn echtgenote nodig heeft voor het aangaan van de borgtocht. De bank had een krediet verstrekt aan de BV en de echtgenoot had zich borg gesteld zonder dat zijn echtgenote toestemming had gegeven. De echtgenote stelde de borgtocht nietig wegens het ontbreken van die toestemming.
De rechtbank wees de vordering van de echtgenoot af omdat de bank te goeder trouw was. Het hof vernietigde dit vonnis en oordeelde dat de uitzondering op het toestemmingsvereiste niet van toepassing was omdat de echtgenoot op het moment van borgstelling geen aandelen hield en de aandelen pas maanden later werden geleverd. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de ratio van de uitzondering is dat de echtgenoot zowel bestuurder als meerderheidsaandeelhouder moet zijn op het moment van de borgstelling. Het enkel hebben gekocht maar nog niet geleverd gekregen van aandelen geeft geen recht op toepassing van de uitzondering.
Ook een latere verkrijging van aandelen kan de vernietigbaarheid van de borgtocht niet wegnemen. De bescherming van het gezinsvermogen en rechtszekerheid vereisen een duidelijk peilmoment, namelijk het moment van het aangaan van de borgtocht. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de bank en bevestigt dat toestemming van de echtgenote vereist is indien de echtgenoot niet aan de formele vereisten voldoet.
Uitkomst: De borgtocht is vernietigd wegens het ontbreken van toestemming van de echtgenote omdat de echtgenoot op het moment van borgstelling geen aandelen hield.