ECLI:NL:PHR:2006:AT7672
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrij kapitaalverkeer en teruggaaf buitenlandse bronbelasting aan fiscale beleggingsinstelling
Deze zaak betreft een fiscale beleggingsinstelling (fbi) die buitenlandse bronbelasting op dividenden deels niet terugkreeg vanwege het ontbreken van verrekeningsbepalingen in belastingverdragen met Duitsland en Portugal en vanwege buitenlandse aandeelhouders. Het Hof Amsterdam oordeelde dat deze beperkingen in strijd zijn met het vrije kapitaalverkeer volgens art. 56 EG Pro-Verdrag en met non-discriminatiebepalingen in belastingverdragen en de Belastingregeling voor het Koninkrijk (BRK).
De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil is of de Nederlandse regeling die teruggaaf van buitenlandse bronbelasting beperkt afhankelijk van het aandeelhouderschap en het bestaan van belastingverdragen, verenigbaar is met het EG-recht en de relevante verdragen. De Hoge Raad analyseert de verhouding tussen nationale wetgeving, belastingverdragen en EG-recht, met nadruk op jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.
De Hoge Raad concludeert dat het EG-recht Nederland verplicht om buitenlandse bronheffingen uit EG-lidstaten gelijk te behandelen als binnenlandse dividendbelasting, ongeacht de vestigingsplaats van aandeelhouders. Voor niet-EG bronheffingen zoals Zwitserse geldt dat discriminatie verboden is voor aandeelhouders uit verdragslanden met nondiscriminatiebepalingen. Voor andere gevallen is prejudiciële verwijzing naar het HvJ EG noodzakelijk. De zaak benadrukt het belang van gelijke fiscale behandeling binnen de interne markt en de beperkingen van nationale regelingen die het vrije kapitaalverkeer belemmeren.
Uitkomst: Nederland moet buitenlandse bronheffingen uit EG-lidstaten gelijk behandelen als binnenlandse dividendbelasting ongeacht aandeelhoudersvestiging.