ECLI:NL:PHR:2005:AU7497
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw bij ontstaan schuld
Verzoekster diende een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, waarbij circa 74% van haar schulden bestond uit een fraudevordering van de Gemeentelijke Sociale Dienst. Zowel de rechtbank als het hof oordeelden dat verzoekster niet te goeder trouw was bij het ontstaan van deze schuld, waardoor het verzoek werd afgewezen op grond van artikel 288 lid 2 onder Pro b van de Faillissementswet.
Verzoekster voerde in hoger beroep en cassatie aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom zij niet te goeder trouw zou zijn geweest, en dat haar persoonlijke omstandigheden, zoals haar ziekte en gezamenlijke huishouding met een partner, niet in aanmerking waren genomen. De Hoge Raad stelde dat de gedragsmaatstaf van goede trouw strikt wordt toegepast en dat het hof terecht had geoordeeld dat de schuld relatief recent was ontstaan, mede omdat de strafrechtelijke veroordeling voor fraude kort voor het verzoek lag.
De Hoge Raad benadrukte dat de wettelijke regeling misbruik van de schuldsaneringsregeling wil voorkomen en dat slechts in uitzonderlijke gevallen, ondanks het ontbreken van goede trouw, toch tot schuldsanering kan worden besloten. Verzoekster had onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die een uitzondering rechtvaardigen. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat het cassatiemiddel faalt en het arrest van het hof bevestigd blijft.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen omdat verzoekster niet te goeder trouw was bij het ontstaan van de schuld.