ECLI:NL:PHR:2005:AU6888
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over deelnemerschapslening en winstafhankelijke vergoeding bij prêt participatif in vennootschapsbelasting
Deze zaak betreft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 1995 en 1997 waarbij de kwalificatie van een door een Nederlandse vennootschap aan haar Franse dochter verstrekte prêt participatif centraal staat. De vraag is of deze financieringsvorm als deelnemerschapslening moet worden aangemerkt en of de daarop ontvangen vergoedingen onder de deelnemingsvrijstelling vallen.
De prêt participatif heeft een looptijd van 95 jaar en bestaat uit een vaste vergoeding van 1% en een variabel winstafhankelijk deel. De Franse dochter kon de vergoeding grotendeels aftrekken van haar winst. De Nederlandse vennootschap bracht de opbrengsten op als winstbewijzen en niet als winst. De inspecteur corrigeerde dit en legde navorderingsaanslagen op, wat tot geschil leidde.
Het Hof oordeelde dat de civielrechtelijke vorm leidend is, met uitzondering van gevallen waarin sprake is van schijnlening of deelnemerschap door winstafhankelijke vergoeding, achterstelling en geen vaste looptijd. De prêt participatif voldoet niet aan alle voorwaarden voor deelnemerschapslening, met name vanwege de vaste looptijd en het vaste rentecomponent. De Hoge Raad bevestigt dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan en dat navordering mogelijk is.
De Hoge Raad bespreekt uitgebreid de criteria voor deelnemerschapslening, de betekenis van winstafhankelijkheid van de vergoeding, de looptijd en de toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Ook wordt ingegaan op de verhouding tussen civielrechtelijke vorm en fiscale kwalificatie, en op Europese richtlijnen zoals de moeder-dochterrichtlijn en de interest/royaltyrichtlijn.
De conclusie is dat de prêt participatif niet volledig als deelnemerschapslening kan worden aangemerkt en dat de vergoeding niet geheel onder de deelnemingsvrijstelling valt. De vaste en variabele delen van de vergoeding kunnen niet gesplitst worden voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling. Het arrest bevat een uitgebreide analyse van de fiscale kwalificatie van hybride financieringsvormen.
Uitkomst: De navorderingsaanslagen zijn terecht opgelegd; de prêt participatif is geen deelnemerschapslening en de vergoedingen vallen niet volledig onder de deelnemingsvrijstelling.