ECLI:NL:PHR:2005:AU5757

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03464/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 266 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van spuwen als feitelijke belediging en kwalificatie bij tegenstrijdige tenlastelegging

In deze zaak stond de vraag centraal of het spuwen in het gezicht van een agent als een mondelinge belediging ex art. 266 Sr Pro kan worden gekwalificeerd. De Hoge Raad stelt vast dat spuwen een feitelijke belediging is en niet onder de definitie van mondelinge belediging valt, die betrekking heeft op woorden of geluiden.

De tenlastelegging bevatte de term "mondelinge" belediging, maar deze is volgens de Hoge Raad als een misslag te beschouwen. Omdat de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad door deze onjuiste term, leest de Hoge Raad de bewezenverklaring verbeterd. Het hof heeft de bewezenverklaring terecht gekwalificeerd als eenvoudige belediging op grond van feitelijkheden.

Verder werd besproken dat de tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig was, omdat de kwalificatie niet strookte met de feitelijke uitwerking. Dit zou in principe tot nietigheid van de dagvaarding moeten leiden, maar omdat de verdachte in hoger beroep verscheen en niet klaagde over onduidelijkheid, werd dit niet als een reden tot vernietiging gezien.

De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie en bevestigde de veroordeling voor eenvoudige belediging door spuwen in het gezicht van een agent.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor eenvoudige belediging door spuwen in het gezicht van een agent.

Conclusie

Nr. 03464/04
Mr. Knigge
Zitting: 1 november 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens - kort gezegd - vernieling en eenvoudige belediging veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen.
2. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met een eerdere veroordeling.
4. Tot de stukken van het geding behoort een uittreksel justitiële documentatie gedateerd 16 augustus 2004. In dat uittreksel is de zaak waarop het middel doelt, met parketnummer 925256-03 vermeld, maar staat niet vermeld of de verdachte ter zake van de daar opgenomen feiten gepleegd in februari en maart 2003 is veroordeeld. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aldaar het volgende verklaard:
"De verdachte is op 16 april 2004 van een in eerste aanleg gewezen vonnis in appèl gegaan. De verdachte is toen voor in februari en maart 2003 gepleegde feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen hond van de verdachte. Nadat het hof de verdachte voor deze feiten een straf van drie maanden had opgelegd, kwam de verdachte tot inzicht dat hij zijn leven diende te veranderen. Zijn straf heeft hij inmiddels in voorarrest uitgezeten. In verband met de verbeurdverklaring van zijn hond is de verdachte van dit arrest in cassatie gegaan.".
5. Gelet op het door de raadsman aangevoerde in combinatie met het uittreksel justitiële documentatie rijst de vraag of het Hof de veroordeling als vaststaand had moeten aanmerken. In casu kan dit evenwel in het middel blijven. Het eventuele verzuim op dit punt behoeft niet tot vernietiging te leiden aangezien op grond van de straf die het Hof in de onderhavige zaak heeft opgelegd en de straf die in geval van gelijktijdige berechting van de onderhavige feiten en de aan de eerdere veroordeling ten grondslag liggende feiten had kunnen worden opgelegd, moet worden aangenomen dat de verdachte door het begane verzuim niet in zijn belang is geschaad.(1)
6. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
7. Het tweede middel klaagt dat het Hof niet heeft geoordeeld op grondslag van de tenlastelegging, althans het onder 2 bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als belediging.
8. Bij inleidende dagvaarding is de verdachte onder 2 tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 3 november 2003 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon genaamd M.R.E. van Nieuwenhoven, agent van politiekorps Haaglanden in het openbaar mondeling heeft beledigd, door toen en daar die agent M.R.E. van Nieuwenhoven in zijn gezicht te spuwen".
9. Daarvan heeft het Hof bewezenverklaard dat:
"hij op 3 november 2003 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon genaamd M.R.E. van Nieuwenhoven, agent van politiekorps Haaglanden in het openbaar mondeling heeft beledigd, door toen en daar die agent M.R.E. van Nieuwenhoven in zijn gezicht te spuwen".
10. In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat het probleem schuilt in de tenlastelegging. Het verwijt van "mondelinge" belediging wordt in het feitelijke deel van de tenlastelegging uitgewerkt als "in zijn gezicht te spuwen". Die uitwerking is niet te rijmen met de betekenis die de term "mondeling" in art. 266 lid 1 Sr Pro heeft. Daarmee is bedoeld "door middel van het gesproken woord" of mogelijk iets ruimer: door middel van met de keel voortgebrachte klanken en geluiden.(2) Spuwen kan zeker beledigend zijn, maar levert dan - zoals in de toelichting op het middel terecht wordt gesteld - belediging door feitelijkheden op.(3) Maar juist omdat het probleem in de tenlastelegging zit, is de vraag of het Hof, zoals het middel wil, bij de vraag naar de bewezenverklaring of de kwalificatie de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten. De vraag is veeleer of die tenlastelegging wel een deugdelijke grondslag voor beraadslaging oplevert. Het kwalificatieve gedeelte van de tenlastelegging strookt immers niet met de daaraan gegeven feitelijke uitwerking, zodat de tenlastelegging op dit punt innerlijk tegenstrijdig is.(4) Dit zou moeten leiden, niet tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging, maar tot nietigheid van de dagvaarding.
11. Ik heb mij nog afgevraagd of aan deze conclusie valt te ontkomen door middel van interpretatie van de tenlastelegging. Wellicht had het Hof de kwalificatieve aanduiding als een kennelijke vergissing kunnen 'weg' interpreteren, maar nu het Hof dat blijkens de bewezenverklaring - waarin de tegenstrijdigheid is gehandhaafd - niet heeft gedaan, lijkt mij dat in cassatie geen begaanbare weg.
12. Ook heb ik mij afgevraagd of het middel niet zou moeten worden verworpen bij gebrek aan belang. Over de innerlijke tegenstrijdigheid is - hoewel de verdachte in hoger beroep verscheen en daar werd bijgestaan door een raadsman - in feitelijke aanleg niet geklaagd. Kennelijk was toen niet onduidelijk waarvoor de verdachte terecht stond. Ik merk daarbij op dat - als over de onduidelijkheid was geklaagd - het probleem door een wijziging van de tenlastelegging verholpen had kunnen worden. Zogezien is de vraag of de klacht in cassatie niet tardief is. Daarbij kan er nog op gewezen worden dat de foutieve tenlastelegging geen invloed heeft gehad op de uiteindelijke kwalificatie van het feit ("eenvoudige belediging").(5) Alles in aanmerking genomen meen ik, zij het met enige aarzeling, dat het middel redelijk belang mist.
13. Het tweede middel faalt.
14. Het eerste middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 21 september 1999, NJ 1999, 761.
2 Vgl. A.L.J.M. Janssens, Strafbare belediging, p. 233.
3 Idem, p. 236 e.v. Uit de door Janssens gegeven beschrijving van de wetsgeschiedenis blijkt dat de Commissie De Wal de strafbaarheid niet wenste te beperken tot belediging door woorden. Zij achtte het ongewenst dat "andere even ergerlijke beleedigingen, bv het spuwen in het aangezigt, (...) ongestraft" zouden blijven. De regering sloot zich daarbij aan (Smidt II, p. 388): "De Code Pénal kent geen andere beleedigingen tegen private personen dan die welke zich uiten in woorden. Andere, even ergerlijke beleedigingen, b.v. het spuwen in het aangezigt, blijven daardoor ongestraft (...)." Gelet op deze wetsgeschiedenis is het niet mogelijk om spuwen onder de mondelinge belediging te scharen.
4 Vgl. D.H. de Jong, De macht van de telastelegging in het strafrecht, p. 27. Zie voor een voorbeeld in de sfeer van de belediging HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 276.
5 Daarin verschilt dit geval van bijvoorbeeld de casus in het in de vorige noot genoemde arrest.