ECLI:NL:PHR:2005:AU5437

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00082/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing meerderjarigenstrafrecht en gedeeltelijke toewijzing schadevordering

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verzoeker is veroordeeld wegens diefstal met geweld door meerdere personen tot dertig maanden gevangenisstraf. Tevens heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van €1.263, bestaande uit materiële en immateriële schade.

De Hoge Raad heeft het beroep van verzoeker verworpen. Het hof had geoordeeld dat verzoeker ten tijde van het plegen van het feit in ieder geval zestien jaar oud was, zodat het meerderjarigenstrafrecht van toepassing was. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd, mede op basis van deskundigenverklaringen die de leeftijd van verdachte aannemelijk maakten.

Verder oordeelde de Hoge Raad dat het hof de schadevordering van de benadeelde partij terecht slechts gedeeltelijk had toegewezen, omdat het hof het resterende deel van de vordering niet aannemelijk achtte binnen de strafprocedure. De klachten van verzoeker en de benadeelde partij werden verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling tot dertig maanden gevangenisstraf en de gedeeltelijke toewijzing van de schadevordering van €1.263.

Conclusie

Griffienr. 00082/05
Mr. Wortel
Zitting:25 oktober 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker=verdachte]
1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker wegens "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen" is veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstaf.
Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, en verzoeker op de voet van art. 36f Sr, ten behoeve van de benadeelde partij en tot hetzelfde bedrag, een betalingsverplichting jegens de Staat opgelegd, met bepaling van vervangende hechtenis en met bepaling dat elk van de opgelegde betalingsverplichtingen zal komen te vervallen indien en voor zover verzoeker aan de andere, jegens of ten behoeve van de benadeelde partij opgelegde, betalingsverplichting zal hebben voldaan.
2. Namens verzoeker heeft mr. G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
Namens de benadeelde partij heeft mr. A.C.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.
3. De twee namens verzoeker voorgestelde middelen hebben betrekking op 's Hofs oordeel dat verzoeker ten tijde van het begaan van het feit in ieder geval zestien jaar oud was, zodat, mede gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, het meerderjarigenstrafrecht dient te worden toegepast. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
4. Onder "oplegging van straf en maatregel" is in de bestreden uitspraak overwogen, voor zover hier van belang:
"J.I.M.L. Verbeke, radioloog van beroep, heeft als getuige-deskundige op 17 juni 2003 bij de rechter-commissaris verklaard dat de door hem gedane onderzoeken tot de conclusie leiden dat het 100% zeker is dat [verdachte] ouder is dan 16 jaar en dat het statistisch gezien voorts aannemelijk is dat [verdachte] 21 à 22 jaar oud is. Tevens heeft hij verklaard dat uitgaande van het onderzoek aan de hand, de leeftijd van verdachte ouder dan 18 jaar bedraagt, statistisch gezien, en uitgaande van het sleutelbeen onderzoek 20 à 22 jaar bedraagt, eveneens statistisch gezien.
Op grond van het vorenstaande gaat het hof ervan uit dat verdachte ten tijde van het plegen van het feit in ieder geval 16 jaar was. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, zal het hof het meerderjarigenstrafrecht toepassen."
5. Het eerste middel strekt ten betoge dat aldus niet naar behoren is uiteengezet waarom aangenomen kan worden dat verzoeker ook ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van zestien jaren had bereikt, aangezien onduidelijk is op welk moment de deskundige zijn onderzoeken heeft verricht.
6. De klacht faalt, aangezien de deskundige zijn bevindingen heeft medegedeeld medio juni 2003, en het bewezenverklaarde is begaan begin december 2002. Het Hof kon derhalve aannemen dat het hoogst waarschijnlijk is dat verzoeker ook ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd van zestien jaar (al lang) had bereikt.
7. Het tweede middel strekt ten betoge dat aan de verklaring van de deskundige een onjuiste betekenis is gegeven, omdat daarbij niet is weergegeven dat de deskundige aan zijn bevindingen heeft toegevoegd dat onaannemelijk, doch niet volledig uit te sluiten is dat verzoeker in [geboortedatum] 1987 zou zijn geboren.
8. Door die toevoeging niet weer te geven heeft het Hof de verklaring van de deskundige geen andere betekenis gegeven. De opmerking dat niet volledig valt uit te sluiten dat verzoeker jonger is doet immers niet af aan de constatering dat het hoogst waarschijnlijk is dat verzoeker bij het begaan van het feit al (veel) ouder was dan zestien jaar.
9. De middelen falen derhalve.
10. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel houdt in dat het Hof heeft miskend dat de benadeelde partij haar vordering in hoger beroep, nadat de Rechtbank haar daarin gedeeltelijk niet-ontvankelijk had verklaard, uitdrukkelijk voor het volle bedrag heeft gehandhaafd.
11. In de bestreden uitspraak is dienaangaande overwogen:
"Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezengeachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof waardeert deze bij wijze van voorschot op een bedrag van € 1.263,-- (twaalfhonderddrieënzestig euro), te weten een bedrag van € 263,-- (tweehonderddrieënzestig euro) voor materiële schade, waarvan € 113,-- (honderddertien euro) voor het eigen risico en een bedrag van € 1.000,-- (duizend euro) voor immateriële schade.
De vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] zal dan ook tot dat bedrag worden toegewezen."
12. Deze overwegingen kunnen aldus worden begrepen dat het Hof niet heeft miskend dat de benadeelde opartij (ook in hoger beroep) een hoger bedrag vorderde, doch de gestelde schade voorshands, in de beperkte mate waarin dit in het strafgeding kan worden onderzocht, aannemelijk heeft geacht ten bedrage van € 1.263,=.
Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.
13. De middelen lenen zich voor afdoening met de in art. 81 RO Pro bedoelde korte motivering.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,