ECLI:NL:PHR:2005:AU5279
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsregeling aan vader na echtscheiding wegens geweld en onrust
Na een echtscheiding tussen de man en vrouw is het gezag over hun minderjarige dochter aan de vrouw toegekend, waarbij de man het verzoek tot een omgangsregeling werd geweigerd. De vrouw stelde dat de man haar vaak mishandelde en dat omgang met hem onrust en spanning zou veroorzaken die schadelijk is voor het kind.
Het hof bevestigde deze beslissing en oordeelde dat het gezamenlijk gezag niet gehandhaafd kon blijven vanwege ernstig geweld van de man en het gebrek aan communicatie tussen partijen. Het hof vond dat omgang niet in het belang van het kind was omdat de spanningen de ontwikkeling van het jonge kind negatief zouden beïnvloeden.
De man stelde cassatieberoep in en voerde aan dat het hof onvoldoende informatie had en dat het recht op omgang niet zonder een van de limitatief genoemde gronden in art. 1:377a BW mocht worden ontzegd. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof terecht het belang van het kind voorop stelde, ook zonder schriftelijk advies van de raad voor de kinderbescherming.
De Hoge Raad benadrukte dat omgang kan worden ontzegd als dit in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind, waarbij ook onrust en spanningen voor de verzorgende ouder meewegen. De strafrechtelijke veroordeling van de man wegens bedreiging werd als onherroepelijk erkend en ondersteunde het oordeel van het hof.
Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de ontzegging van het omgangsrecht aan de vader definitief is bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de ontzegging van het omgangsrecht aan de vader wegens ernstig geweld en onrust in het belang van het kind.