ECLI:NL:PHR:2005:AU3309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en onttrekking aan het verkeer van kunstzinnig wapenachtig voorwerp
In deze zaak stond centraal of een kunstzinnig voorwerp dat sterk leek op een mortierwapen strafbaar was als wapen in de zin van de Wet wapens en munitie (WWM). De verdachte, een vennootschap, werd vrijgesproken omdat het tenlastegelegde feit was begaan vóór haar oprichting, maar het hof oordeelde dat het voorwerp onttrokken moest worden aan het verkeer.
De verdediging voerde aan dat het voorwerp een kunstzinnige uiting was en dat toepassing van de WWM de vrijheid van meningsuiting uit art. 10 EVRM Pro zou schenden. Het hof oordeelde echter dat de uitingsvrijheid moet wijken voor de openbare veiligheid, omdat het voorwerp door zijn gelijkenis met een mortier geschikt is voor bedreiging en afdreiging, en waarborgen tegen misbruik ontbreken.
Het hof stelde de onttrekking aan het verkeer onder de voorwaarde dat eerst een onherroepelijke afwijzing van een ontheffingsaanvraag ex art. 4 WWM Pro zou volgen. De Hoge Raad oordeelde dat de wet deze voorwaardelijke oplegging niet kent, maar erkende dat het hof hiermee een praktische oplossing bood om onterechte teruggifte te voorkomen.
Verder wees de Hoge Raad het beroep op willekeur af, omdat eerdere tentoonstellingen onder andere omstandigheden plaatsvonden en het voorwerp nu een andere indruk wekte. Ook het verzoek om een geldelijke tegemoetkoming op grond van art. 33c Sr werd afgewezen wegens gebrek aan concrete waardebepaling.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de vrijspraak en de onttrekking aan het verkeer met de voorwaardelijke maatregel van het hof.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken, maar het kunstzinnige wapenachtig voorwerp onttrokken aan het verkeer onder voorwaarde van onherroepelijke afwijzing van ontheffingsaanvraag.