ECLI:NL:PHR:2005:AU2554
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt recht op betaling na onherroepelijke belastinguitspraak ondanks vermeende dubbele teruggaaf
De zaak betreft een vennootschap die in haar vennootschapsbelastingaangifte voor 1988 een verlies opvoerde, waarop voorlopige teruggaven werden verleend en deels verrekend. Na bezwaar en beroep werd vastgesteld dat de verrekening ten onrechte was gehandhaafd en dat de voorlopige teruggaven met definitieve teruggaven verrekend hadden moeten worden. De Hoge Raad bevestigde deze uitspraak, waarna de vennootschap betaling van het bedrag vorderde van de Ontvanger.
De Ontvanger en de Staat voerden aan dat toewijzing van de vordering zou leiden tot dubbele betaling en ongerechtvaardigde verrijking, en dat de vennootschap misbruik van recht maakte. De rechtbank en het hof verwierpen deze verweren en oordeelden dat de Ontvanger gehouden is tot betaling, omdat de uitspraak van de belastingrechter bindend is en de burgerlijke rechter deze moet respecteren.
In cassatie stelde de Hoge Raad vast dat de vordering niet is gebaseerd op schadevergoeding, maar op de publiekrechtelijke verplichting van de Ontvanger. De Hoge Raad bevestigde dat de burgerlijke rechter niet kan afwijken van de onherroepelijke fiscale uitspraak, ook niet om vermeende dubbele betaling te voorkomen. Het beroep werd verworpen, waarmee de Ontvanger gehouden blijft tot betaling ondanks de economische bezwaren.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de Ontvanger gehouden is tot betaling conform de onherroepelijke belastinguitspraak, ondanks vermeende dubbele teruggaaf.