ECLI:NL:PHR:2005:AU1962

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00174/05
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 SvArt. 344 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ondanks geloofwaardige aangiften

Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft verdachte vrijgesproken van de tenlastegelegde feiten wegens onvoldoende bewijs. Hoewel de aangiften als geloofwaardig werden beschouwd, vond het hof dat deze niet voldoende steunbewijs boden om tot een veroordeling te komen, conform het bewijsstelsel van artikel 342 Sv Pro.

De Advocaat-Generaal stelde cassatie in tegen deze vrijspraak, stellende dat er meer bewijsmateriaal beschikbaar was dan alleen de aangiften. De Hoge Raad oordeelde echter dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden en dat een vrijspraak geen nadere motivering behoeft zolang deze niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad benadrukte dat het bewijs onvoldoende was om de overtuiging te verkrijgen dat verdachte de feiten heeft begaan. De klacht over de toepassing van art. 342 Sv Pro faalt omdat het hof terecht voorzichtig was met het bewijs, vooral wanneer slechts één getuigenverklaring aanwezig is. Het cassatieberoep werd verworpen, waarmee de vrijspraak definitief is bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak wegens onvoldoende bewijs volgens art. 342 Sv.

Conclusie

Nr. 00174/05
Mr. Knigge
Zitting 30 augustus 2005
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft, met verbetering van de gronden, bij arrest van 9 november 2004 bevestigd een vonnis van de Rechtbank te Maastricht van 5 augustus 2003, waarbij de verdachte is vrijgesproken van de bij inleidende dagvaarding aan hem tenlastegelegde feiten.
2. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft cassatie ingesteld en een cassatieschriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie. Namens de verdachte hebben de mrs. A.M. Ficq-Kengen en G.P. Hamer, beiden advocaat te Amsterdam, het cassatieberoep tegengesproken.
3. In het middel wordt geklaagd dat het Hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken van de aan hem bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde feiten, althans die vrijspraak heeft doen steunen op ontoereikende gronden.
4. De bestreden uitspraak houdt onder het hoofd "Het vonnis waarvan beroep" het volgende in:
"Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de redengeving waarop dit berust, met dien verstande dat het voor al hetgeen in het aangevallen vonnis is overwogen in de kolom "Vrijspraak" het hierna volgende in de plaats stelt.
Naast de aangifte van elk van de tenlastegelegde feiten is er onvoldoende bewijsmateriaal voorhanden. Zelfs indien het hof die aangiften volledig geloofwaardig zou achten, schiet het bewijs -gelet op het bepaalde bij artikel 342, derde lid van het Wetboek van Strafvordering- tekort. Verdachte behoort daarom te worden vrijgesproken."
5. De steller van het middel voert aan dat 's Hofs oordeel dat er voor elk tenlastegelegde feit (slechts) één bewijsmiddel is, onjuist is.
6. Vooropgesteld zij het volgende. Uw Raad heeft in een arrest uit 2004(1) uiteengezet dat selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden, ook indien de feitenrechter tot een vrijspraak komt:
"3.7. Ingeval de rechter die over de feiten oordeelt, het tenlastegelegde bewezen acht, is het - volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad - aan die rechter voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Deze beslissing inzake die selectie en waardering, die - behoudens bijzondere gevallen - geen motivering behoeft, kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Hetzelfde heeft te gelden in het tegenovergestelde geval dat de rechter op grond van de aan hem voorbehouden selectie en waardering van het bewijsmateriaal tot de slotsom komt dat vrijspraak moet volgen.
Een nadere motivering van een vrijspraak maakt de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk doordat het beschikbare bewijsmateriaal - al dan niet op grond van een andere uitleg van gegevens van feitelijke aard - een andere (bewijs)beslissing toelaat. (...)."
7. 's Hofs motivering van de vrijspraak van de verdachte houdt in dat het Hof (slechts) de aangiften van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten, zo het die al geloofwaardig acht, geschikt acht om voor het bewijs te selecteren, maar dat die aangiften (reeds) gelet op het in art. 344, derde lid, (oud) Sv - bedoeld zal zijn art. 342, tweede lid, Sv(2) - vervatte adagium "unus testis nullus testis"(3) onvoldoende zijn voor een bewezenverklaring.
8. In het middel wordt - in de kern - betoogd dat er naast de aangiften meer bewijsmateriaal voorhanden was, bijvoorbeeld een ter terechtzitting afgelegde verklaring van de verdachte, waardoor art. 344, tweede lid, Sv niet van toepassing was.
9. Bij de beoordeling komt de onder 6 (deels) weergegeven overweging om de hoek kijken. Het betoog richt zich namelijk tegen een beslissing die is voorbehouden aan de feitenrechter: de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Van een bijzonder geval waarin die selectiebeslissing nadere motivering behoeft, is geen sprake. In dit geval maakt de (onverplicht gegeven) nadere motivering van de vrijspraak de gegeven beslissing niet onbegrijpelijk doordat - zoals de steller van het middel aanvoert - het beschikbare bewijsmateriaal een andere (bewijs)beslissing toelaat.(4)
10. De vrijheid die de Hoge Raad de feitenrechter op het punt van de selectie en waardering laat, maakt dat minder gelukkig uitgevallen bewoordingen in een onverplicht gegeven motivering niet snel tot cassatie zullen leiden. De klacht over de onjuiste uitleg en toepassing van art. 342, tweede lid, Sv stuit daarop af. De strekking van de overweging van het Hof is dat het beschikbare bewijsmateriaal te mager is om tot een veroordeling te komen. Er is naar het oordeel van het Hof te weinig steunbewijs om overtuigd te zijn van de juistheid van de verklaringen van de aangeefsters. Dat oordeel strookt met de ratio van art. 342, tweede lid, Sv. Als er niet veel meer is dan één getuigenverklaring, is de grootst mogelijke voorzichtigheid geboden bij de waardering van het bewijsmateriaal.
11. Anders was het misschien geweest als het Hof had overwogen overtuigd te zijn van de juistheid van de aangiften, maar door het wettelijk bewijsstelsel te zijn gedwongen tot een vrijspraak. Daarbij zij echter wel opgemerkt dat de minimale uitleg die de Hoge Raad aan art. 342, tweede lid, Sv heeft gegeven, betrekking heeft op situaties waarin de feitenrechter tot een bewezenverklaring is gekomen, en dus heeft geoordeeld dat de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaring voldoende steun vindt in ander relevant en betrouwbaar bewijsmateriaal. De vraag is of de Hoge Raad in cassatie kan beoordelen of bewijsmateriaal waarvan de feitenrechter niet heeft geoordeeld dat het relevant en betrouwbaar is, voldoende steunbewijs oplevert. Dat wordt toch een wat schimmige exercitie.
12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad ambtshalve de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 Vgl. HR 4 mei 2004, NJ 2004, 480.
2 Het huidige art. 342 Sv Pro kent geen derde lid meer. Het oude tweede lid is vervallen, waardoor het oude derde lid het (huidige) tweede lid is geworden (Stb. 2003, 143).
3 Vgl. Corstens, handboek, 4e, p. 646 t/m 647.
4 Vgl. ook HR 26 mei 2004, LJN: AR2190, rov. 3.4; HR 14 december 2004, LJN: AR4901, rov. 3.4; de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg bij HR 12 april 2005, onder 6 en de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga bij HR 31 mei 2005, LJN: AT1766, onder 13.