1 Het betreft [kind 1], geboren op [geboortedatum] 1998 en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2000.
2 Zie art. 1, lid 1 onder f onder 2 onder c, Wet Bopz: één van de mogelijke gevaren voor anderen. In de geneeskundige verklaring waren in rubriek 5 mede aangekruist: "gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat" en "gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen". De rechtbank heeft haar oordeel niet gegrond op gevaar voor betrokkene zelf.
3 Kamerstukken II, 1979/80, 11 270, nr. 13, blz. 28.
4 Kamerstukken II, 1980/81, 11 270, nr. 17, blz. 7.
5 Kamerst. II, 1997-1998, 25 763, nr. 1, blz. 22. Zie ook: losbl. De Wet Bopz, een artikelsgewijs commentaar, aant. 4 op art. 2 (W. Dijkers); R.B.M. Keurentjes, Tekst en toelichting Wet Bopz (2005), blz. 40-41. In het modelformulier voor de geneeskundige verklaring zijn als alternatieve mogelijkheden voorgedrukt: maatschappelijke dienstverlening en thuiszorg; elders onderbrengen van betrokkene (waaronder overplaatsen); medicatie; inzetten somatische behandeling; ambulante psychiatrische behandeling. Ik noem ook nog: G. de Wilde en R. Bijl, Afwenden van gevaar. Mogelijkheden om buiten het psychiatrisch ziekenhuis gevaar af te wenden, uitgave NcGv (Nederlands Centrum Geestelijke volksgezondheid) 1993; op blz. 56-59 wordt, kort gezegd, gewaarschuwd voor het risico dat de wachtlijstproblematiek als een oneigenlijk argument in de discussie over alternatieve mogelijkheden wordt betrokken. In de onderhavige zaak is dat risico niet aan de orde.
6 Daarvan was bijv. sprake in HR 30 juni 1995, NJ 1996, 233, m.nt. JdB.
7 Zie Rb. Groningen 18 mei 1995, BJ 1995, 121 waarin werd geoordeeld dat nu het minderjarige zoontje van betrokkene met een voorlopige o.t.s. in een pleeggezin was ondergebracht en haar partner bereid was betrokkene thuis op te vangen, het gevaar buiten het ziekenhuis kon worden afgewend. Zie ook: HR 1 juli 1994, NJ 1994, 716, m.nt. JdB onder 723, waarin het verweer niet werd gehonoreerd omdat betrokkene haar kinderen om de veertien dagen zag, waaruit kon worden afgeleid dat het gevaar voor de kinderen niet was weggenomen door de o.t.s. met uithuisplaatsing.
8 Enigszins anders de conclusie van A-G Meijers voor HR 14 februari 1986, NJ 1986, 364 (nog onder vigeur van de Krankzinnigenwet): "Ofschoon in de kamerstukken in het bijzonder de extra-murale voorzieningen ten behoeve van de betrokkene als alternatieven voor de dwangopneming worden aangemerkt, sluit de tekst van de onder 8 genoemde artikelen van het ontwerp in overeenstemming met hun strekking in dat een voorziening voor een ander dan de onmiddellijk betrokkene, bijv. een voorziening ten behoeve van een kind van betrokkene, in een voorkomend geval als alternatief voor de dwangopneming van betrokkene moet worden gebruikt om de dwangopneming te voorkomen." De Hoge Raad liet de kwestie in het midden met de overweging: "De President, die op korte termijn moest beslissen omtrent de voortzetting van de inbewaringstelling, is er daarbij kennelijk van uitgegaan, dat in de fase waarin men zich bevond onvoldoende vaststond dat tijdig afdoende maatregelen van kinderbescherming te verwachten waren."
9 Vgl. HR 4 november 1994, NJ 1995, 211 m.nt. JdB, reeds aangehaald.