3) Bij vonnis van 25 oktober 2000 heeft de rechtbank de vordering van [verweerster] - voor zover gebaseerd op dwaling - toegewezen en de rechtshandeling waarbij de huwelijksgemeenschap tussen [verweerster] en [eiser] op 18 april 1986 werd opgeheven, vernietigd. De hieraan ten grondslag liggende overwegingen luiden, voor zover in cassatie van belang, als volgt.
Afgezien van de vraag van wie het initiatief tot het wijzigen van het huwelijksgoederenregime, zoals dat tot 18 april 1986 tussen [verweerster] en [eiser] gold, is uitgegaan of wie dat heeft genomen, staat volgens de rechtbank vast dat die wijziging in elk geval is tot stand gebracht in verband met de omstandigheid dat [eiser] toen op afzienbare tijd tot notaris zou worden benoemd en als zodanig en klaarblijkelijk anders dan voorheen risicodragend ondernemer zou worden. Indien de stelling van [eiser] juist is dat hij met [verweerster] de wijziging van hun huwelijksgoederenregime heeft besproken en doorgesproken, betekent zulks naar het oordeel van de rechtbank dat [verweerster] op die grond mocht verwachten dat die wijziging niet verder zou strekken dan het doel waarvoor die diende te worden doorgevoerd, te weten bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van [verweerster] tegen aanspraken van derden ter zake van door [eiser] als notaris verrichte handelingen. In elk geval behoefde [verweerster] niet te verwachten, aldus nog steeds de rechtbank, dat die wijziging zou betekenen dat zij tengevolge daarvan verstoken zou worden of blijven van de positieve ontwikkelingen van de door [eiser] te ondernemen activiteiten. Dit geldt temeer, nu [eiser] onbetwist heeft gesteld dat zijn huwelijk met [verweerster] toen goed was, terwijl uit de stukken is af te leiden dat [verweerster] toen (hoofdzakelijk) de zorg had voor hun beider kinderen. Uit dit laatste leidt de rechtbank af dat [eiser] geen reden zag zowel zijn zorgplicht jegens [verweerster] als ieders gelijk aandeel in de revenuen van hun beider inspanningen, zowel tot dat moment als voor de toekomst, te wijzigen ten opzichte van de situatie zoals die bestond toen [verweerster] en [eiser] waren gehuwd zonder huwelijkse voorwaarden en van enige zelfstandige risicodragende ondernemingsactiviteit door [eiser] (nog) geen sprake was. Volgens de rechtbank mag onder dergelijke omstandigheden er in de regel van worden uitgegaan dat de ene echtgenoot, in casu [verweerster], geen nader onderzoek doet naar of vragen stelt omtrent datgene wat de andere echtgenoot, in casu [eiser], haar meedeelt en ter medeondertekening voorlegt en dat indien de ene echtgenoot, in casu [eiser], desniettemin toch een geheel eigen verantwoordelijkheid bij de andere echtgenoot, hier [verweerster], wenst neer te leggen de eerstbedoelde echtgenoot de andere daarop wijst en (zonodig) adviseert een eigen, derde adviseur te raadplegen. Nu [eiser] dit laatste heeft nagelaten, mocht [verweerster] volgens de rechtbank verwachten dat [eiser] bij het opstellen van de akte waarbij hun huwelijksgoederenregime zou worden gewijzigd, zich zou gedragen naar het tussen hen besprokene en uitgaande van hun - niet alleen door [verweerster] maar ook door [eiser] als zodanig ervaren - goede relatie op dat moment en vanuit die verwachting en het vertrouwen dat zij in [eiser] als echtgenoot mocht stellen niet nader behoefde te onderzoeken dan wel [eiser] nader te bevragen of [eiser] zulks ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dit geldt temeer, zo vervolgt de rechtbank, nu de betreffende akte ten kantore van notaris [betrokkene 1], alwaar [eiser] alstoen werkzaam was en welk kantoor hij zou gaan overnemen, werd gepasseerd, aan [verweerster] niet een concept van de te verlijden akte is toegezonden, terwijl evenmin onomstotelijk is komen vast te staan dat notaris [betrokkene 1] ten tijde van het verlijden van deze toch als bijzonder te kwalificeren akte, nu die betrekking had op een kantoorgenoot die ook nog eens de ontwerper van die akte was, de nadelige gevolgen daarvan voor [verweerster] aan deze expressis verbis heeft voorgehouden en met haar inhoudelijk besproken (r.o. 4.3).
Naar tussen partijen in confesso is, behelst de in het geding zijnde akte voor [verweerster] ten opzichte van haar situatie voor het passeren daarvan (zeer) nadelige gevolgen dan wel ontbreekt daarin een, ook ten tijde van het passeren van bedoelde akte niet ongebruikelijk, verrekenbeding voor het geval het huwelijk van partijen door echtscheiding mocht worden ontbonden. Zoals hiervoor is overwogen, dient volgens de rechtbank te worden aangenomen dat [verweerster] die gevolgen niet kende en ook niet behoefde te verwachten. Door desalniettemin die akte te ondertekenen en uitgaande van de tussen [verweerster] en [eiser] in de gerechtvaardigde visie van [verweerster] beoogde effecten van die wijziging, heeft [verweerster] gedwaald bij de totstandkoming van de in die akte neergelegde overeenkomst tot wijziging van het huwelijksgoederenregime (r.o. 4.4).
Het vorenstaande wordt naar het oordeel van de rechtbank niet anders, indien de stelling van [verweerster] juist zou zijn dat [eiser] haar niet heeft voorgelicht omtrent de gevolgen van de wijziging van hun huwelijksgoederenregime. Ook in dat geval mocht [verweerster] erop vertrouwen dat [eiser] die wijziging slechts zou doorvoeren ter afscherming van hun beider vermogensrechtelijke belangen tegen aanspraken van derden jegens [eiser] als notaris en behoefde zij niet te verwachten dat [eiser] een wijziging tot stand zou brengen die betekende dat zij niet meer en anders dan voorheen zou delen in de vruchten van de arbeid van [eiser]. Volgens [eiser] was daar ook geen reden voor nu, het zij herhaald, hij zelf heeft gesteld dat zijn huwelijk met [verweerster] toen goed was (r.o. 4.5).
Uit het hiervoor staande volgt, aldus de rechtbank, dat de vordering van [verweerster] voor zover die gebaseerd is op dwaling voor toewijzing vatbaar is (r.o. 4.6).