1 ABRvS 2 oktober 1997, JM 1997, 57.
2 ABRvS 8 december 1997, AB 1998, 35
3 Het gaat hier om de (aanvankelijk) subsidiaire vordering; de primaire speelt geen rol meer. De primaire vordering wordt genoemd in rov 4.1.9 van het bestreden arrest.
4 ABRvS 18 april 2000, JM 2000, 99.
5 HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723 MS.
6 Zie nader mijn conclusie voor HR 26 november 2004, RvdW 2004, 134 met name onder 4.28 e.v.
7 Deze problematiek is ook in Frankrijk, waar de overheidsaansprakelijkheid goeddeels is ondergebracht bij de Conseil d'Etat en waar het bestuursrecht een veel langere traditie heeft dan in ons land, bekend; zie bijvoorbeeld André de Laubadère e.a., Traité de droit administratif (14e dr) nr 677 en Georges Védel en Pierre Delvolvé, Droit administratif, deel 1 (1992) blz. 402, 438 en 441.
8 HR 21 januari 2005, RvdW 2005, 18.
9 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer voor HR 21 januari 2005, RvdW 2005, 18 onder 1.1.3 - 1.1.5.
10 Wet van 9 juni 1994, Stb. 634, gewijzigd bij de wetten van 6 november 1997, Stb. 510; 28 januari 1999, Stb. 30 en 8 juli 1999, Stb. 316.
11 TK, zitting 1992-1993, 23221, nr 3 blz. 2 e.v.
12 Hieronder wordt verstaan de ammoniakdepositie op een gebied, afkomstig van bronnen buiten het gebied, zie TK zitting 1992-1993, 23221, nr. 3 blz. 2.
13 TK zitting 1992-1993, 23221, nr. 3 blz. 22.
14 TK zitting 1992-1993, 23221, nr. 3 blz. 6.
15 TK zitting 1992-1993, 23221, nr. 3 blz. 6.
16 Vgl. Woldendorp onder ABRS 2 oktober 1997, JM 1997, 57.
17 ABRvS 2 oktober 1997, JM 1997, 57 (Uden) en ABRvS 8 december 1997, JM 1998, 29 (Sevenum).
18 Zie nader de al genoemde annotatie van Woldendorp.
19 Idem. Verschuuren heeft er, met juistheid, op gewezen dat de passage in de MvT waarop de ABRvS zich baseert haaks staat op de tekst van de regel; noot onder ABRvS 8 december 1997, AB 1998, 35. Vermeldenswaard is in dit verband nog dat de betrokken passage in de MvT het gevolg is van een opmerking van de Raad van State: zie de noot van Van Reeken onder ABRvS 8 december 1997, JM 1998, 29.
20 AB 1998, 35.
21 TK zitting 1997-1998, 26118, nr. 3 blz. 2-4.
22 TK zitting 2000-2001, 26118, nr. 6.
23 Stb. 2002, 93.
24 TK zitting 2000-2001, 26118, nr. 6 blz. 1; zie ook: TK zitting 1999-2000, 24445, nr. 50 blz. 22/23.
25 Zie onder veel meer J.A.E. van der Does en G. Snijders, Overheidsprivaatrecht, mon. Nieuw BW A26 (2001) blz. 10-18; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht (2002), blz. 661-685; Losbl. Onrechtmatige daad V.A. (Damen) aant. 2-38 en aant. 119-122.7. In zijn s.t. onder 2.4 e.v. gaat ook mr Scheltema uitvoerig en ruim gedocumenteerd op deze materie in.
26 Ik ga thans voorbij aan HR 22 november 1985, NJ 1986, 722 MS; dat arrest mist immers voor de onderhavige zaak belang omdat het feitencomplex wezenlijk verschilt.
27 Vaste rechtspraak; zie onder veel meer HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723 MS rov. 3.3.2.
28 O.m. HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723 MS rov. 3.3.2 en HR 24 januari 2003, NJ 2003, 629 MRM rov. 3.3.1; zie nader Onrechtmatige Daad VA (Damen) aant. 98.2.
29 HR 18 juni 1993, NJ 1993, 642 MS; HR 16 mei 1986, NJ 1986, 723 MS en HR 14 mei 1993, NJ 1993, 641 MS; zie nader Onrechtmatige Daad VA (Damen) aant. 98.1.
30 HR 11 november 1988, NJ 1990, 563. Daarvan zal evenwel niet spoedig kunnen worden uitgegaan. Ook wanneer de justitiabele door de overheid "op het verkeerde been" is gezet, zal hij dat - indien rechtens mogelijk - bij de bevoegde rechter moeten aankaarten: HR 27 mei 1994, NJ 1997, 158 MS.
31 Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male (2002) blz. 672-673.
32 HR 9 oktober 1987, NJ 1990, 212 MS en HR 6 december 1985, NJ 1985, NJ 1986, 359 MS. In zijn noot sub 4 onder eerstgenoemd arrest tekent Scheltema aan dat dit anders zal zijn ingeval het gaat om hamdelingen die nog een zelfstandige betekenis hebben los van het voor te bereiden besluit.
33 HR 2 februari 1990, NJ 1993, 635 MS.
34 Dat was althans het standpunt van de Staat, waarop volgens de annotator Scheltema wel een en ander valt af te dingen; zie noot onder 6 en 10.
35 Rov. 3.3.
36 Noot onder 7 en 8.
37 HR 7 oktober 1994, NJ 1997, 174 MS.
38 Resp. conclusie onder 3.1.4 en noot onder 1.
39 HR 26 mei 2000, NJ 2000, 472 ARB rov. 5.
40 Zie verder ook de noot van Bloembergen onder 2.
41 HR 11 oktober 1996, NJ 1997, 165 MS.
42 Vgl. de NJ-noot van Scheltema onder 2.
43 NJ-noot onder 1 en 2 in fine.
44 HR 26 november 1999, NJ 2000, 561 MS.
45 Zie rov. 3.3.
46 Zie nader ook de noot van Scheltema onder 3 - 5.
47 De s.t. onder 17 lijkt daarop te wijzen.
48 HR 15 december 2000, NJ 2001, 318 MS rov. 3.4.2.
49 HR 11 oktober 1996, NJ 1997, 165 MS; zie s.t. onder 18.
50 Conclusie onder 2.3.
51 HR 26 mei 2000, NJ 2000, 472 ARB rov. 5.
52 HR 21 januari 2005, RvdW 2005, 18.
53 Zie uitvoeriger rov. 3.6.4.
54 Rov. 3.6.4.
55 Rov. 3.6.5; zie ook rov. 3.7.3.
56 Datzelfde geldt wanneer men de kwestie, in het voetspoor van HR 29 april 1994, NJ 1997, 396 MS, plaatst in de sleutel van het gerechtvaardigd vertrouwen. Waarom zou een justitiabele meer op een brief of een mondelinge mededeling dan op een onder een breed publiek verspreide gemeentepublicatie mogen vertrouwen? Vgl. mijn ambtgenoot Langemeijer voor HR 21 januari 2005, RvdW 2005, 18 onder 2.14 e.v.
57 J.M. Barendrecht, I. Giesen, M.H.M. Schellekens en M.W. Scheltema, Overheidsaansprakelijkheid voor informatieverstrekking gaan uitvoerig op deze materie in: blz. 31 e.v. Het betoog op blz. 31 lijkt niet geheel te stroken met dat op blz. 37/38. De niet op (empirisch) onderzoek gestoelde argumentatie op blz. 36 kan niet bijzonder overtuigen. Wél lijkt denkbaar - zoals de auteurs ook aankaarten - dat een (m.i. in beginsel niet doorsslaggevende) rol kan spelen of de overheid voor haar informatie een vergoeding vraagt; idem blz. 33.
58 Vgl. A-G Langemeijer voor HR 21 januari 2005, RvdW 2005, 18 onder 2.20/1.
59 In vergelijkbare zin A-G Langemeijer voor HR 21 januari 2005, RvdW 2005, 18 onder 2.24.
60 Vgl. HR 7 mei 2004, RvdW 2004, 67 en 28 mei 2004, RvdW 2004, 78 en daarover o.m. I. Giesen, Toezicht en aansprakelijkheid blz. 223/4; T. Hartlief, AV&S 2004 blz. 246 en G.E. van Maanen, NTBR 2004 blz. 482.