ECLI:NL:PHR:2005:AT7551

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02485/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g SrArt. 14t Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling tenuitvoerlegging voorwaardelijk opgelegde straffen en rechtmatigheid van hofbeslissing

In deze zaak heeft het gerechtshof te Amsterdam de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde straffen. Het hof hield daarbij rekening met de mogelijkheid dat deze straffen reeds geheel of gedeeltelijk waren uitgevoerd op grond van eerdere beslissingen, hoewel deze nog niet onherroepelijk waren. Verzoeker stelde dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren en nader onderzoek had moeten verrichten naar de onherroepelijkheid en uitvoering van eerdere beslissingen.

De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest (HR NJ 2004, 310) waarin is vastgesteld dat het OM in opeenvolgende strafzaken vorderingen tot tenuitvoerlegging van dezelfde voorwaardelijke straf kan indienen en dat meerdere executoriale titels geen nadeel voor de veroordeelde opleveren, omdat een voorwaardelijke straf slechts eenmaal kan worden uitgevoerd. Het hof was daarom niet gehouden nader onderzoek te doen naar de onherroepelijkheid of reeds uitgevoerde executies.

In de onderhavige zaak waren eerdere vorderingen tot tenuitvoerlegging door het OM door de politierechter en kinderrechter niet-ontvankelijk verklaard, maar deze uitspraken waren onherroepelijk geworden. Dit vormde geen beletsel voor het hof om de tenuitvoerlegging te gelasten. De Hoge Raad verwerpt het middel en bevestigt dat het hof juist heeft gehandeld door rekening te houden met eerdere beslissingen zonder nadere toetsing.

De conclusie van de Procureur-Generaal is dat het beroep ongegrond is en het arrest van het hof gehandhaafd kan blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatiemiddel en bevestigt de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straffen door het hof.

Conclusie

Nr. 02485/04
Mr Jörg
Zitting 14 juni 2005
Conclusie inzake:
[verzoeker = verdachte]
1. Het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft verzoeker bij arrest van 8 april 2004 wegens gekwalificeerde diefstal veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Tevens heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van twee voorwaardelijk opgelegde straffen. Voorts heeft het hof de vordering van de drie benadeelde partijen toegewezen tot een bedrag van in totaal € 330,30.
2. Namens verzoeker hebben mr G.P. Hamer en mr A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, een schriftuur houdende een middel van cassatie ingediend.
3. Het middel klaagt over de beslissing van het hof tot tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijk opgelegde straffen. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren althans dat het hof heeft nagelaten te onderzoeken in hoeverre een eerdere beslissing omtrent de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straffen reeds onherroepelijk was althans heeft nagelaten te onderzoeken of de tenuitvoerlegging reeds had plaatsgevonden.
4. Het hof heeft met betrekking tot de vorderingen tot tenuitvoerlegging - voor zover hier van belang - als volgt overwogen:
"Bij deze beslissingen tot tenuitvoerlegging heeft het hof acht geslagen op de mogelijkheid dat deze reeds geheel of gedeeltelijk hebben plaatsgevonden, zoals door de verdediging gesteld, op grond van een eerdere (niet onherroepelijke) beslissing. Daarmee zal dan bij de executie van dit arrest rekening gehouden kunnen worden."
5. Voor de beoordeling van het middel is van belang HR 9 december 2003, NJ 2004, 310 m.nt. PMe bij NJ 2004, 311 - waarop ook in de toelichting van het middel wordt gewezen - waar de Hoge Raad in rechtsoverweging 5.4 het volgende stelt:
"Noch art. 14g Sr noch enige andere rechtsregel staat eraan in de weg dat het openbaar ministerie in opeenvolgende strafzaken ter zake van onderscheiden, voor het einde van de proeftijd begane strafbare feiten, een vordering tot tenuitvoerlegging van dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf indient en dat daarop door de rechter (telkens), onverminderd het bepaalde in art. 14t Sr, enige in het eerste en tweede lid van art. 14g Sr bedoelde beslissing wordt gegeven. De omstandigheid dat dat kan leiden tot onderscheiden executoriale titels ter zake van de tenuitvoerlegging van een en dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf, schaadt de belangen van de veroordeelde niet, aangezien een voorwaardelijke straf niet meer dan één maal kan worden geëxecuteerd. Wel ligt het in dat verband in de rede dat de rechter die kennis draagt van de omstandigheid dat reeds bij onherroepelijk geworden rechterlijke beslissing de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf is gelast, het openbaar ministerie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk verklaart."
6. Het hof heeft in de onderhavige zaak deels gedaan wat de annotator Mevis bij het arrest van de Hoge Raad suggereerde. Hij schreef daarin onder meer:
"De opstelling van de Hoge Raad zal het OM ook motiveren om op de hoogte te blijven van de stand van zaken in andere rechtsgedingen waarin ook een vordering tenuitvoerlegging terzake van dezelfde straf is gedaan. Het kan verder geen kwaad als de rechter die in dergelijke gevallen over een vordering tenuitvoerlegging beslist, terwijl een andere beslissing terzake nog niet onherroepelijk is, in zijn vonnis wel reeds tot uitdrukking brengt dat hij weet heeft van een andere, nog niet onherroepelijke beslissing. Dat voorkomt misverstanden."
7. Het hof anticipeerde op mogelijk nog niet onherroepelijke beslissingen waarbij de tenuitvoerlegging zou zijn gelast.
8. In de onderhavige zaak is tweemaal getracht de onderhavige voorwaardelijk opgelegde straffen ten uitvoer te leggen. De Politierechter in de rechtbank te Haarlem heeft het Openbaar Ministerie op 19 mei 2003 niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met nummer 15/ 030692-01 voorwaardelijk opgelegde straf van 2 maanden. De Kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam heeft het Openbaar Ministerie op 6 juni 2003 eveneens niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met nummer 13/ 047843-99 voorwaardelijk opgelegde straf van twee weken jeugddetentie. Gelet op HR NJ 2004, 310 waren die beslissingen strikt genomen niet noodzakelijk omdat het vonnis van de rechtbank te Utrecht 5 november 2002 waarbij de tenuitvoerlegging - overigens in eerste aanleg in de onderhavige zaak - reeds was bevolen nog niet onherroepelijk was.
9. Gelet op de dezerzijds ingewonnen inlichtingen bij de rechtbanken te Haarlem en Amsterdam zijn beide uitspraken onherroepelijk geworden. De omstandigheid dat het OM telkens niet-ontvankelijk was verklaard maakt dat zich niet de in HR NJ 2004, 310 rov. 5.4 beschreven situatie voordoet waarin het hof het OM niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Voor de onderhavige zaak betekenen beide uitspraken dat er voor het hof geen beletsel bestond om de tenuitvoerlegging te gelasten.
10. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof het OM niet-ontvankelijk had moeten verklaren, faalt het dus.
11. Door de raadsman is niet gesteld dat reeds onherroepelijk de tenuitvoerlegging is gelast van de voorwaardelijk opgelegde straffen waarvan in de onderhavige zaak de tenuitvoerlegging werd gevorderd. Een dergelijk verweer zou strekken tot niet-ontvankelijkheid van het OM voor wat betreft de gevorderde tenuitvoerlegging, waarop het hof had behoren te responderen.
12. Uit de bestreden uitspraak blijkt slechts dat de raadsman heeft gewezen op de mogelijkheid dat de tenuitvoerlegging reeds geheel of gedeeltelijk heeft plaatsgevonden op grond van een eerdere niet onherroepelijke beslissing. Uit de processen-verbaal van de terechtzitting blijkt overigens niet wat de raadsman daaromtrent precies heeft aangevoerd. Evenmin blijkt daaruit dat hij een pleitnotitie heeft overgelegd waaruit dat zou kunnen blijken.
13. Gelet op de inhoud van de hiervoor vermelde inlichtingen berust de kennelijk ter terechtzitting van het hof gemaakte opmerking van de raadsman op niets. Zijn taak zou wel kunnen inhouden dat (bij uitstek) hij nagaat of de executie van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen heeft plaatsgevonden en of (het onwaarschijnlijke geval van) dubbele executie van dezelfde aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straf dreigt.
14. Hetgeen de raadsman heeft opgeworpen - niet meer dan een mogelijkheid - is geen verweer waarop het hof gehouden was te responderen. Het hof was evenmin gehouden ambtshalve na te gaan of de gevorderde tenuitvoerleggingen reeds onherroepelijk waren gelast. Uitgangspunt is immers de regel, zoals de Hoge Raad overwoog in HR NJ 2004, 310 rov. 5.4, dat verschillende executoriale titels ter zake van de tenuitvoerlegging van een en dezelfde voorwaardelijk opgelegde straf de belangen van de veroordeelde niet schaden, aangezien een voorwaardelijke straf niet meer dan één maal kan worden geëxecuteerd. Het is aan verzoeker of diens raadsman aan te geven waarom dat in de onderhavige zaak anders zou zijn.
15. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden moeten leiden, heb ik niet aangetroffen.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG