ECLI:NL:PHR:2005:AT6532
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing vorderingen inzake verrekening huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
Partijen zijn in 1999 gehuwd met huwelijkse voorwaarden die verrekening van onttrekkingen aan elkaars vermogen voorschrijven. Na verzoek tot echtscheiding door de vrouw en diverse vorderingen van beide partijen over verrekening en terugbetaling, wees de rechtbank de meeste verzoeken af en sprak de echtscheiding uit.
De man stelde hoger beroep in tegen de afwijzing van zijn vorderingen tot terugbetaling van bedragen die hij meende door de vrouw onttrokken te zijn, waaronder persoonsgebonden uitgaven en contante opnames van zijn bankrekening. De vrouw betwistte deze vorderingen en stelde dat het ging om huishoudelijke kosten.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende bewijs had geleverd dat de vrouw daadwerkelijk de gelden had opgenomen en dat de uitgaven als kosten van de huishouding konden worden aangemerkt. De vrouw had ook geen vordering op grond van de huwelijkse voorwaarden bewezen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de man, bevestigde het oordeel van het hof en bekrachtigde de afwijzing van zijn vorderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen en het oordeel van het hof dat zijn vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd wordt bekrachtigd.