ECLI:NL:PHR:2005:AT6531

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R04/089HR
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:153 BWArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 822 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep tegen echtscheiding en partneralimentatie

De zaak betreft een verzoek tot echtscheiding en de vaststelling van partner- en kinderalimentatie tussen een man en een vrouw die in 1992 zijn gehuwd en één minderjarig kind hebben. De man verzocht in 1999 de echtscheiding uit te spreken op grond van duurzaam ontwricht huwelijk en stelde een alimentatiebedrag voor. De rechtbank sprak in 2003 de echtscheiding uit en legde alimentatieverplichtingen op.

De vrouw voerde aan dat Belgisch recht van toepassing is en stelde hogere alimentatiebedragen voor. Zij stelde ook dat de echtscheiding niet kon worden toegewezen zonder adequate pensioenvoorziening. Beide partijen voerden hoger beroep tegen verschillende onderdelen van de beschikking. Het hof verklaarde het hoger beroep van de man niet-ontvankelijk voor zover het zich richtte tegen de echtscheiding, omdat hij geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd om de band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen te herstellen.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en overweegt dat het hoger beroep tegen de echtscheiding slechts op grond van bijzondere omstandigheden kan worden gebruikt om de band met nevenvoorzieningen te herstellen. Het beroep van de man kan niet worden gebruikt om de echtscheiding ongedaan te maken. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de echtscheiding.

Conclusie

Rekestnr. R04/089HR
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Parket, 25 maart 2005
Conclusie inzake:
[de man]
tegen
[de vrouw]
1. Feiten(1) en procesverloop
1.1 Verzoeker tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 15 mei 1992 in de gemeente Oisterwijk met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] 1993 één (minderjarig) kind geboren, [het kind].
1.2 De man heeft bij inleidend verzoekschrift van 19 juli 1999 de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage verzocht met toepassing van het Nederlands recht de echtscheiding uit te spreken, omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
1.3 De vrouw heeft de ontwrichting van het huwelijk erkend doch zich verweerd tegen de toepasselijkheid van het Nederlandse recht omdat naar haar stelling Belgisch recht van toepassing is(2). Subsidiair heeft de vrouw bij wege van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht te bepalen
- dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 25.000,-- per maand dient te betalen;
- dat de man tevens een bijdrage van ƒ 2000,-- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarig kind dient te betalen en
- dat de vrouw bij uitsluiting bevoegd is tot voortgezet gebruik van de echtelijke woning met inboedel gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheiding.
1.4 Bij brief van 13 maart 2000 heeft de vrouw aan de rechtbank laten weten dat de rechtbank van eerste aanleg in kort geding van het Gerechtelijk Arrondissement Antwerpen bij beschikking van 28 januari 2000 de man heeft veroordeeld tot het betalen van onderhoudsgeld aan haar ten bedrage van (een equivalent van) ƒ 14.025,-- en (een equivalent van) ƒ 4.675,-- voor het kind van partijen(3).
1.5 Op 17 maart 2000 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij, zoals tevoren aan partijen medegedeeld, uitsluitend de internationaal privaatrechtelijke aspecten van de zaak aan de orde zijn gekomen.
De vrouw heeft bij die gelegenheid gesteld dat het verzoek tot echtscheiding op grond van art. 1:153 BW Pro niet kan worden toegewezen voordat een adequate pensioenvoorziening is getroffen.
1.6 De rechtbank heeft bij beschikking van 14 april 2000 bepaald dat op het door de man ingediende verzoek tot echtscheiding Nederlands recht van toepassing is, en dat de behandeling van de zaak voor het overige zal worden voortgezet op 28 augustus 2000.
1.7 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage en heeft verzocht deze te vernietigen en opnieuw beschikkende te bepalen dat op het verzoek tot echtscheiding Belgisch recht van toepassing is. De man heeft een verweerschrift ingediend strekkende tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw in haar beroepschrift, althans haar verzoek in appel af te wijzen.
Op 27 september 2000 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden(4).
Het hof heeft bij beschikking van 17 januari 2001 de bestreden beschikking bekrachtigd.
1.8 Op 8 juni 2001 is de behandeling bij de rechtbank voortgezet. Beide partijen zijn, vergezeld van hun advocaten, verschenen. Bij die gelegenheid heeft de man aangeboden een alimentatie van ƒ 15.000,-- per maand ten behoeve van de vrouw te betalen en zijn partijen overeengekomen een deskundige te benoemen teneinde duidelijkheid te krijgen over de inkomsten van de man.
1.9 De rechtbank heeft bij beschikking van 10 augustus 2001 een onderzoek door een deskundige bevolen teneinde duidelijkheid te krijgen over de welstand waarin partijen ten tijde van het huwelijk leefden, de daarmee samenhangende behoefte van de vrouw en het minderjarige kind, alsmede de draagkracht van de man en de status van de echtelijke woning.
1.10 Bij brief van 1 februari 2002 heeft de vrouw haar verzoek tot alimentatie verhoogd van ƒ 25.000,-- naar ƒ 45.000,-- per maand, omdat zij de echtelijke woning in België op korte termijn zou moeten verlaten.
1.11 Een kantoorgenoot van de benoemde deskundige heeft de rechtbank bij brief van 5 februari 2003 laten weten dat onmogelijk aan het verzoek van de rechtbank kan worden voldaan, nu van de zijde van de man geen enkele bereidheid bestaat tot medewerking aan het bevolen deskundigenonderzoek(5).
1.12 Nadien zijn door partijen brieven met bijlagen aan de rechtbank gezonden. Namens de man is bij brief van 29 oktober 2003 te kennen gegeven dat hij zich refereert aan het aanvankelijke alimentatieverzoek van de vrouw, met dien verstande dat de einddatum op 31 december 2012 moet worden gesteld.
1.13 Op 10 november 2003 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Beide partijen zijn daarbij verschenen.
1.14 Bij beschikking van 15 december 2003 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man een bedrag van € 908,-- per maand zal voldoen voor de opvoeding en verzorging van het minderjarige kind van partijen, en een bedrag van € 20.420,-- per maand voor levensonderhoud van de vrouw.
1.15 De man is op 12 maart 2004 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank van 15 december 2003, onder aanvoering van drie grieven. De man heeft het hof daarbij verzocht de beschikking te vernietigen voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding, de vaststelling van de partneralimentatie van € 20.420,-- per maand en de afwijzing van het verzoek tot limitering van de wettelijke alimentatietermijn en opnieuw rechtdoende:
a. primair de partneralimentatie te bepalen op € 11.345,-- bruto per maand dan wel subsidiair een onderzoek te gelasten naar de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw en
b. te bepalen dat de alimentatietermijn uiterlijk acht jaar na inschrijving van de echtscheiding in de registers, eindigt.
Deze zaak heeft als rekestnummer: 253 - H - 04.
1.16 In het overgelegde procesdossier bevindt zich tevens het door de vrouw bij beroepschrift van 10 maart 2004 ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 15 december 2003 met als nummer 252. De vrouw heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen, althans de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot echtscheiding, en in plaats daarvan het verzoek tot echtscheiding pas toe te wijzen nadat een voorziening is getroffen als bedoeld in art. 1:153 lid 1 BW Pro en voorts de man te veroordelen op straffe van een dwangsom mee te werken aan een deskundigenonderzoek
1.17 Uit het dossier valt op te maken dat het hof partijen in het appel van de man heeft uitgenodigd voor een mondelinge behandeling op 9 april 2004, waarin uitsluitend de ontvankelijkheid van het appel ten aanzien van de uitgesproken echtscheiding aan de orde zou komen(6).
1.18 De vrouw heeft het hof bij brief van 23 maart 2004 het volgende meegedeeld :
"(...)
Terzake van het door de man ingestelde appel tegen de uitgesproken echtscheiding refereert de vrouw zich aan het oordeel van het gerechtshof. Een mondelinge behandeling van dat onderdeel van het appelschrift van de man kan wat betreft de vrouw achterwege blijven.
Namens de vrouw is er echter ook zelfstandig appel tegen de uitgesproken echtscheiding aangetekend. Die zaak is bij u ingeschreven onder kenmerk R04/00252.
Zoals u in het appelschrift zijdens de vrouw kunt lezen is door de vrouw inhoudelijk tegen de uitgesproken echtscheiding geappelleerd en naar mijn mening leent dat appelschrift zich niet voor een aparte korte behandeling uitsluitend met betrekking tot de ontvankelijkheidsvraag. Ik ga er dan ook vanuit dat het volledige appelschrift van de vrouw op een latere datum integraal zal worden behandeld.
(...)"
1.19 In het procesdossier bevindt zich voorts een brief van 25 maart 2004 van de advocaat van de man aan diens procureur. Daarin is namens de man medegedeeld:
"(...)
Ik verzoek u vriendelijk om het Hof te berichten dat de mondelinge behandeling ook wat de man betreft geen doorgang behoeft te vinden, waarbij de man ervan uitgaat dat het Hof de beslissing op het door de man tegen de echtscheiding ingestelde appel zal aanhouden, nu door de vrouw op inhoudelijke gronden appel is aangetekend tegen de echtscheiding. Het door de vrouw ingestelde appelschrift leent zich niet voor een aparte korte behandeling zoals de wederpartij ook schrijft, zodat er dezerzijds van zal worden uitgegaan dat de beide appelschriften op een latere datum tegelijkertijd en integraal moeten worden behandeld.
(...)"
1.20 Ter zitting van het hof van 9 april 2004 is geen van de partijen verschenen.
Het hof heeft de man vervolgens bij beschikking van 28 april 2004 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep en iedere verdere beslissing aangehouden.
1.21 De man heeft tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld.
De vrouw is niet verschenen.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1 Het middel, dat uit drie onderdelen en enige subonderdelen bestaat, is gericht tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn hoger beroep.
2.2 Het hof heeft de volgende beschikking gewezen:
" (...)
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De man heeft onder meer verzocht, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking waarvan beroep te vernietigen voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding.
2. Het hof is van oordeel dat indien eenmaal door de eerste rechter de echtscheiding is uitgesproken, het hoger beroep slechts op grond van door de echtgenoot die het instelt aan te voeren bijzondere omstandigheden kan worden gebezigd, teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfdertijd wordt beslist op die verzoeken. Door de man zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden aangevoerd, hij heeft slechts aangevoerd belang te hebben bij het laten voortduren van de voorlopige voorzieningen.
3. Ten overvloede overweegt het hof dat de in artikel 822, eerste lid onder e Rv bedoelde maatregel geen verdere strekking heeft dan te voorzien in de moeilijkheden welke een echtscheidingsprocedure kan meebrengen in de voorziening in het levensonderhoud en beïnvloedt de rechten van de echtgenoten niet verder dan het doel van die maatregel meebrengt. Met die beperkte strekking is niet te verenigen dat de man door het instellen van hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank, voor zover de echtscheiding daarbij is uitgesproken, en door te verzoeken dat gelijktijdig over de echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen zal worden beslist, tracht te bewerkstelligen dat voormelde voorlopige voorziening ter zake van het levensonderhoud van de vrouw voorshands haar kracht behoudt, teneinde aldus te bereiken dat de vrouw de (in casu lagere) voorlopige alimentatie blijft ontvangen. Het hof zal de man derhalve in dit onderdeel van zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren.
4. De man heeft in zijn brief van 25 maart 2004 opgemerkt dat hij ervan uit gaat dat het hof de beslissing op het door de man tegen de echtscheiding ingestelde hoger beroep zal aanhouden, nu ook door de vrouw op inhoudelijke gronden hoger beroep is aangetekend tegen de echtscheiding. Nu de man zijn verzoek onvoldoende nader gemotiveerd heeft en het hof ook overigens niet is gebleken dat de man in zijn belangen wordt geschaad indien de niet-ontvankelijkheid thans wordt uitgesproken, ziet het hof hiertoe geen aanleiding.
5. Mitsdien beslist het hof als volgt.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
houdt iedere verdere beslissing aan."
2.3 Het middel neemt in de subonderdelen 1a en 1b tot uitgangspunt dat het hof de man integraal niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep. Zowel het dictum - waarin het hof de man niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep -, als de laatste zin van rechtsoverweging 4 van de beschikking van het hof geven volgens het middel aanleiding voor die lezing. In de subonderdelen 1c en 1d wordt verondersteld dat het hof slechts de eerste grief van de man heeft verworpen.
2.4 Ik meen dat deze laatste veronderstelling juist is en dat het hof de man uitsluitend gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, namelijk in dat deel van zijn hoger beroep dat zich tegen de echtscheiding richt.
Voor die lezing kan het volgende worden aangevoerd.
In rechtsoverweging 1 heeft het hof het verzoek van de man in appel weergegeven, voorzover van belang, en daarbij overwogen dat de man onder meer heeft verzocht de beschikking van de rechtbank voor wat betreft de uitgesproken echtscheiding te vernietigen.
2.5 In zijn ten overvloede gegeven oordeel in rechtsoverweging 3 van de bestreden beschikking kondigt het hof in de laatste zin aan dat het de man "in dit onderdeel van zijn verzoek" niet-ontvankelijk zal verklaren. Ook dit duidt op een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring.
2.6 Ten slotte houdt het hof in het dictum van zijn beschikking iedere verdere beslissing aan, hetgeen niet nodig is indien het hof de man integraal niet-ontvankelijk zou verklaren in zijn gehele hoger beroep.
2.7 Het hof heeft aldus in de bestreden beschikking niet meer dan op de eerste grief van de man beslist. De rest van het hoger beroep van de man komt daarmee nog aan de orde, evenals trouwens, maar dan kennelijk apart, het hoger beroep van de vrouw. De beschikking is daarmee een deelbeschikking.
2.8 De man heeft in eerste aanleg de echtscheiding verzocht. Zijn eerste grief betreffende de uitgesproken echtscheiding is er blijkens de toelichting uitsluitend op gericht het huwelijk in stand te houden en zodoende betaling van de door de rechtbank Den Haag bepaalde partneralimentatie van ƒ 45.000,-- uit te stellen totdat in appel definitief is beslist op het verzoek tot vaststelling van de partneralimentatie.
2.9 In zijn arresten van 26 februari 1993, NJ 1993, 365 m.nt. HER en van 15 maart 1996, NJ 1996, 408 heeft de Hoge Raad beslist dat de aard van het rechtsmiddel van hoger beroep niet eraan in de weg staat dat het wordt gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat tezelfdertijd wordt beslist op de vordering tot echtscheiding en die tot levensonderhoud. Daaraan heeft de Hoge Raad vervolgens in zijn beschikkingen van 2 april 1999, NJ 1999, 656 en van 9 april 1999, NJ 1999, 657 m.nt. S.F.M Wortmann toegevoegd dat indien echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken, slechts op grond van door de appellerende echtgenoot aan te voeren bijzondere omstandigheden herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen kan plaatsvinden(8).
2.10 Het hof heeft dit criterium in rechtsoverweging 2 aan zijn oordeel ten grondslag gelegd, hetgeen dus blijk geeft van een juiste rechtsopvatting.
2.11 Of vervolgens dergelijke bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd en of de aangevoerde bijzondere omstandigheden nopen tot het herstel van de band tussen de echtscheiding en de nevenvoorzieningen, is in hoge mate feitelijk en aan het rechterlijk beleid overgelaten. Beantwoording van die vragen kunnen in cassatie hooguit op begrijpelijkheid of in het geheel niet(9) worden getoetst(10).
2.12 Daar komt bij dat de man in eerste aanleg de echtscheiding heeft verzocht, waarna de rechtbank de echtscheiding heeft uitgesproken. Het hoger beroep van de man kan onder deze omstandigheden niet gebruikt worden om de beschikking ongedaan te maken(11).
2.13 Het hof heeft geoordeeld dat hetgeen de man heeft aangevoerd, te weten dat hij belang heeft bij het laten voortduren van de voorlopige voorzieningen, geen voldoende bijzondere omstandigheid is om de band tussen de echtscheiding en de nevenverzoeken te herstellen.
Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
2.14 Voorzover het middel al niet in zijn geheel op vorenstaande afstuit, behoeft het voor het overige geen bespreking.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
1 Zie de beschikkingen van de rechtbank van 14 april 2000, 10 augustus 2001 en 15 december 2003. Tegen de feitenvaststelling zijn geen grieven aangevoerd. Het hof heeft in zijn bestreden beschikking van 28 april 2004 geen feiten vastgesteld.
2 Uit het verweerschrift, p. 4 blijkt dat de vrouw in België op 28 september 1999 een echtscheidingsprocedure is gestart.
3 De beslissing van de Belgische rechter bevindt zich echter niet aangehecht aan de brief van 13 maart 2000, en ook niet elders in het dossier. Daarnaast zou de man op basis van deze beslissing verplicht zijn om de woonlasten van ƒ20.000,-- te betalen, zie pleitaantekeningen van 8 juni 2001 van de vrouw, p. 2 onder 1.
4 De stukken van deze appelprocedure bevinden zich niet in het dossier. Het procesverloop is afgeleid uit de beschikking van het hof, die wel in het dossier aanwezig is.
5 Zo heeft de rechtbank vastgesteld in de beschikking van 15 december 2003. De brief is niet in het dossier aanwezig.
6 Zie het bestreden arrest. De uitnodiging zelf is niet in het dossier aanwezig.
7 Het cassatieverzoekschrift is op 28 juli 2004 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
8 Zie over deze arresten en beschikkingen L.H.M. Zonnenberg, Band echtscheiding en nevenvoorzieningen, EB, nr. 10, 2003, p. 155-159 en P.A.J.Th. van Teeffelen, Nodeloze perikelen omtrent de band tussen echtscheiding en nevenvoorzieningen in appel?, EB, nr. 1, 2004, p. 7-11 (met naschrift De Bruijn-Lückers en Zonnenberg).
9 A-G Moltmaker in zijn conclusie vóór HR 2 april 1999, NJ 1999, 656 onder 2.2.4.
10 Zie ook de conclusie van A-G Moltmaker vóór HR 7 maart 2003, R02/073HR, LJN AF2686, waarin de HR het beroep met toepassing van art. 81 RO Pro verwierp.
11 HR 4 juni 1999, NJ 1999, 535; HR 6 mei 1983, NJ 1984, 160 m.nt. WHH; Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, p. 154; Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, p. 100.