ECLI:NL:PHR:2005:AT5466
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over aansprakelijkheid verhuurder bij vertraagde oplevering bedrijfsruimte na ontruiming
In deze zaak staat centraal de vraag of de verhuurder aansprakelijk is voor schade van de huurder als gevolg van een vertraagde oplevering van een bedrijfsruimte na ontruiming wegens dringend eigen gebruik. De huurovereenkomst betrof een bedrijfsruimte waarin eiser zijn restaurant exploiteerde. De verhuurder had de huurder gesommeerd de ruimte te ontruimen voor sloop en nieuwbouw, waarna vertragingen ontstonden in de oplevering van het nieuwe pand.
De kantonrechter had geoordeeld dat de verhuurder tekort was geschoten en schadevergoeding aan de huurder moest betalen. De verhuurder voerde onder meer aan dat geen sprake was van verzuim omdat geen ingebrekestelling had plaatsgevonden. De rechtbank stelde dat ingebrekestelling wel vereist was en dat de vertraging deels niet aan de verhuurder kon worden toegerekend vanwege complicaties bij het bouwproject.
De Hoge Raad bevestigt dat bij dergelijke inspanningsverplichtingen een ingebrekestelling vereist is om verzuim vast te stellen, en dat de wettelijke bepalingen omtrent ontruiming en eigen gebruik (art. 7A:1628a en 7A:1631a oud BW) een bewijsvermoeden bevatten dat de wil tot eigen gebruik bestaat indien binnen een jaar na ontruiming geen gebruik wordt gemaakt, maar dat dit vermoeden met tegenbewijs kan worden weerlegd. De Hoge Raad wijst een te ruime uitleg van de aansprakelijkheid af en benadrukt dat de rechter een redelijke inschatting mag maken van de vertraging die niet aan de verhuurder kan worden toegerekend. De zaak wordt deels vernietigd en verwezen voor nader onderzoek naar de vraag of sprake was van verzuim.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurder wordt verworpen, het incidentele beroep gegrond verklaard en de zaak verwezen voor nader onderzoek naar verzuim en schade.