ECLI:NL:PHR:2005:AT3193
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens dagvaarding niet-bestaande rechtspersoon na fusie
In deze zaak vorderden Philip Morris c.s. schadevergoeding van [verweerster] wegens diefstal van sigaretten. Na vonnis in eerste aanleg en hoger beroep werd cassatie ingesteld. Tijdens de procedure fuseerde [verweerster] met [A] B.V., waardoor zij ophield te bestaan. Dit werd niet gemeld in de cassatieprocedure. De Hoge Raad oordeelt dat een rechtsmiddel in cassatie alleen tegen de rechtsopvolger kan worden ingesteld indien de oorspronkelijke partij niet meer bestaat.
De Hoge Raad stelt vast dat Philip Morris c.s. wisten of redelijkerwijs hadden kunnen weten dat [verweerster] niet meer bestond toen zij het cassatieberoep instelden. De hoofdregel is dat het cassatieberoep tegen de niet-bestaande partij niet ontvankelijk is. Uitzonderingen gelden alleen als de eiser niet wist en niet behoefde te weten van de fusie of als de rechtsopvolger zich in het geding als oorspronkelijke partij presenteert met een rechtens te respecteren belang.
Hier is vastgesteld dat [A] B.V. als rechtsopvolger het geding heeft voortgezet en dat Philip Morris c.s. hiervan op de hoogte waren. De Hoge Raad concludeert dat het cassatieberoep tegen [verweerster] niet-ontvankelijk is omdat het tegen een niet-bestaande partij is ingesteld. De procedure had tegen [A] B.V. moeten worden gericht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Philip Morris c.s. is niet-ontvankelijk verklaard omdat het tegen een niet-bestaande rechtspersoon is ingesteld.