11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 30 januari 2004 houdt het volgende in, voor zover thans van belang:
"De voorzitter deelt mede dat het hof heeft kennisgenomen van de brief van de raadsman, gedateerd 7 januari 2004, en de brief van de advocaat-generaal, gedateerd 27 januari 2004, met betrekking tot het oproepen van getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier.
De raadsman deelt mede -zakelijk weergegeven-:
Ik neem aan dat het hof van de motivering van mijn brief kennis heeft genomen.
In de laatste alinea van mijn brief van 7 januari 2004 heb ik de advocaat-generaal verzocht mr. Knol, [betrokkene 2] () aan te bevelen zich beschikbaar te houden voor een verhoor ter terechtzitting van heden, ingeval de advocaat-generaal mijn verzoek tot het oproepen van deze getuigen niet wil of kan honoreren. De advocaat-generaal heeft op dit verzoek niet gereageerd.
De voorzitter deelt mede -zakelijk weergegeven-:
De raadsman kan de advocaat-generaal verzoeken getuigen op te roepen. De raadsman kan de advocaat-generaal niet verzoeken getuigen zich beschikbaar te laten houden om eventueel ter terechtzitting te verschijnen.
De raadsman deelt mede -zakelijk weergegeven-:
Ik doelde met dit verzoek op de mogelijkheid dat het hof bijvoorbeeld te 10.00 uur beslist dat de genoemde getuigen dienen te worden gehoord. Deze kunnen hierover worden bericht en dan vanuit de Bondsrepubliek Duitsland naar Arnhem rijden om ter terechtzitting bijvoorbeeld te 15.00 uur te worden gehoord.
De advocaat-generaal deelt mede -zakelijk weergegeven-:
Ten aanzien van het oproepen van getuigen en het toevoegen van stukken aan het dossier persisteer ik bij de standpunten die ik in mijn brief van 27 januari 2004 heb verwoord.
Ik zie geen redenen om de getuigen ter terechtzitting te horen. Het hof heeft niet bevolen de 'Vertrauensperson' [betrokkene 2] op te roepen. Bij de verwijzing naar de rechter-commissaris is onderzocht in hoeverre het mogelijk was om [betrokkene 2] op te roepen teneinde hem te horen. In mijn brief van 27 januari 2004 heb ik duidelijk verwoord dat de verdediging niet in haar belangen is geschaad indien [betrokkene 2] niet als getuige wordt opgeroepen. [Betrokkene 2] is door de Duitse autoriteiten aangestuurd en ingezet. De Duitse autoriteiten zijn, lettende op het subsidiariteitsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel, redelijkerwijze overgegaan tot het inzetten van [betrokkene 2], nadat [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zijn aangehouden. Overigens zie ik geen aanknopingspunt waaruit zou blijken dat [betrokkene 2] een licht zou kunnen werpen op de betrouwbaarheid van de getuigen die gehoord zijn.
Er zijn geen omstandigheden die ertoe leiden dat de officier van justitie mr. Knol als getuige dient te worden opgeroepen. Er zijn geen indicaties waaruit blijkt dat de inzet van [betrokkene 2] onrechtmatig zou zijn geschied. Indien [betrokkene 2] in de hoedanigheid van burgerdienstverlener in Nederland zou [zijn] opgetreden, zouden de Nederlandse autoriteiten verantwoordelijk voor hem zijn. [Betrokkene 2] is echter niet in Nederland geweest.
De officier van justitie had blijkbaar goede redenen om mee te willen werken met de Duitse autoriteiten en de harddrugs niet onmiddellijk in beslag te nemen onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat die drugs op enig moment in de Bondsrepubliek Duitsland in beslag zouden worden genomen. De Bondsrepubliek Duitsland en Nederland hebben wederzijdse belangen in het kader van de onderlinge rechtshulp.
Ik zie geen aanknopingspunten om de getuigen alsnog op te roepen.
De voorzitter onderbreekt de zitting voor korte duur.
Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede -zakelijk weergegeven:
Het hof wijst het verzoek van de verdediging tot [het] horen van getuigen af. Het hof oordeelt dat door het niet horen van de getuigen, gezien de stukken waarover het beschikt en gezien het feit dat de raadslieden -en bij de 'Nederlandse' verhoren ook de verdachte- bij de verhoren bij de rechter-commissaris aanwezig waren, de belangen van de verdediging niet worden geschaad. Daarnaast acht het hof het horen van de getuigen niet relevant voor enig door het hof te nemen beslissing. Indien gedurende het verdere onderzoek op de zitting of tijdens de beraadslaging in raadkamer er sprake zal zijn van omstandigheden die tot een ander oordeel dienen te leiden, dan zal het hof hierop bij een arrest beslissen. Bovendien zal het hof de thans gegeven beslissing voor zover nodig bij arrest nader motiveren.
(...)
De advocaat-generaal leest de vordering voor, legt die aan het hof over en voegt daaraan toe -zakelijk weergegeven-:
De raadsman heeft reeds eerder het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het openbaar ministerie onvolledig inzicht heeft verschaft inzake het verrichte onderzoek. Dit verweer dient te worden verworpen nu ik gedurende de procedure heb getracht zo goed mogelijk te voldoen aan de verzoeken van de raadsman tot het toevoegen van stukken aan het dossier.
De "Vertrauensperson" [betrokkene 2] is op initiatief van de Duitse autoriteiten ingezet en heeft in Nederland geen werkzaamheden verricht, zodat de Nederlandse autoriteiten niet kunnen oordelen omtrent de rechtmatigheid van de inzet van deze "Vertrauensperson". Ik zie geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de inzet van [betrokkene 2] in de Bondsrepubliek Duitsland.
Tevens zie ik geen aanleiding om aan te nemen dat door de inzet van [betrokkene 2] het Tallon-criterium zou zijn geschonden, aangezien er noch sprake van pseudo-koop noch sprake van uitlokking is geweest."