ECLI:NL:PHR:2005:AS8387
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over opzegging arbeidsovereenkomst door werkgever en werknemer
In deze zaak stond centraal of een brief van de werkgever een opzegging van de arbeidsovereenkomst inhield. De werknemer was in dienst getreden voor bepaalde tijd, maar hield op te werken en de werkgever stuurde een brief waarin werd gesteld dat de arbeidsovereenkomst per 7 november 2001 was ontbonden. De werknemer stelde dat hij niet zelf had opgezegd en vorderde een schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag.
De rechtbank wees de vordering toe, maar het hof vernietigde dit oordeel en oordeelde dat ook voor opzegging door de werkgever een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist is, net als bij opzegging door de werknemer. De werknemer stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad stelde dat de strenge maatstaf die geldt voor opzegging door de werknemer niet automatisch geldt voor opzegging door de werkgever, omdat de gevolgen voor de werknemer ernstiger zijn. Voor de werkgever geldt dat de vraag of hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd moet worden beoordeeld aan de hand van de algemene maatstaf van art. 3:35 BW Pro, waarbij niet per definitie een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring vereist is.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling en beslissing volgens deze maatstaf.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug voor verdere behandeling met toepassing van de juiste maatstaf voor opzegging door de werkgever.