ECLI:NL:PHR:2005:AS7054
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beperking gezamenlijk gezag bij niet-gehuwde ouders in strijd met recht op toegang rechter
De zaak betreft een vader die een verzoek tot wijziging van het gezag over zijn kind indiende, waarbij hij primair het uitsluitend gezag wilde verkrijgen en subsidiair gezamenlijk gezag met de moeder. De kantonrechter wees het primaire verzoek af, en het gerechtshof verklaarde het subsidiaire verzoek niet-ontvankelijk omdat het niet op gezamenlijk verzoek van beide ouders was ingediend.
De vader stelde in cassatie dat deze wettelijke beperking in strijd was met het recht op eerbiediging van het gezinsleven (art. 8 EVRM Pro) en het recht op toegang tot de rechter (art. 6 EVRM Pro). De Hoge Raad bevestigde dat de vader als erkende ouder een familieband heeft en dat het uitoefenen van ouderlijke rechten een fundamenteel onderdeel is van het gezinsleven.
De Hoge Raad oordeelde dat de beperking dat gezamenlijk gezag slechts op gezamenlijk verzoek kan worden toegekend, een ongeoorloofde beperking vormt van het recht op toegang tot de rechter. Deze beperking kan niet worden gerechtvaardigd door de belangen van moeder of kind. De zaak werd vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling, waarbij de vraag of een inbreuk op het gezinsleven gerechtvaardigd is, nader onderzocht moet worden.
Uitkomst: De wettelijke beperking dat gezamenlijk gezag alleen op gezamenlijk verzoek kan worden toegekend, is in strijd met het recht op toegang tot de rechter en wordt buiten toepassing gelaten.