ECLI:NL:PHR:2005:AS5949
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing omzetting faillissement in schuldsaneringsregeling wegens niet te goeder trouw handelen
Verzoeker is in 1998 failliet verklaard en veroordeeld voor verduistering. Hij verzocht de rechtbank om opheffing van het faillissement met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling, stellende dat zijn schulden te goeder trouw waren ontstaan. De rechtbank wees het verzoek af maar hief het faillissement op. Verzoeker ging in hoger beroep, dat werd verworpen door het hof. Het hof oordeelde dat verzoeker niet te goeder trouw was vanwege verduistering van gemeenschapsgelden en het opzettelijk verzwijgen van AOW- en pensioenrechten, waardoor gegronde vrees bestond dat hij zijn verplichtingen niet zou nakomen.
Verzoeker stelde cassatieberoep in met vier middelen, waaronder dat het hof onjuist had geoordeeld over zijn gedrag en het opzettelijk verzwijgen van pensioenrechten niet had mogen betrekken. De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet onbegrijpelijk had geoordeeld en dat het gedrag van verzoeker terecht in de beoordeling was betrokken, ook omdat periodieke uitkeringen niet buiten faillissement vallen.
De Hoge Raad bevestigde dat het verzoek tot omzetting van faillissement in schuldsaneringsregeling kan worden afgewezen op grond van art. 288 lid 1 en Pro 2 Faillissementswet, en dat het cassatieberoep tijdig was ingesteld. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het verzoek tot omzetting van het faillissement in schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen.