ECLI:NL:PHR:2005:AS5865
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Veroordeling ontucht en schennis van de eerbaarheid met gedeeltelijke verjaring
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem waarin verzoeker is veroordeeld voor ontucht met minderjarige slachtoffers en schennis van de eerbaarheid in de periode 1988 tot 1999. De tenlastelegging omvatte onder meer schennis van de eerbaarheid over de periode 1 januari 1990 tot en met 1 januari 1999.
De Hoge Raad oordeelt dat de verjaringstermijn van zes jaren voor het misdrijf schennis van de eerbaarheid is vervuld voor het tijdvak tot 19 november 1996, omdat de dagvaarding pas op 19 november 2002 is betekend en er geen eerdere stuitingshandelingen zijn verricht. Hierdoor is het recht tot strafvordering voor die periode vervallen en verklaart de Hoge Raad het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor die feiten.
De bewezenverklaring voor de schennis van de eerbaarheid in de periode vóór 19 november 1996 wordt vernietigd, maar de strafoplegging blijft in stand omdat het schrappen van dit deel van de feiten de aard en ernst van het bewezenverklaarde niet aantast. Daarnaast wijst de Hoge Raad op de bewijsconstructie en concludeert dat bepaalde feiten, zoals schennispleging in de auto, onvoldoende zijn onderbouwd.
Het cassatieberoep wordt afgewezen, behoudens de niet-ontvankelijkverklaring voor de verjaarde feiten en de vernietiging van het deel van het arrest dat daarop betrekking heeft. De rest van het arrest blijft ongewijzigd.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard voor schennis van de eerbaarheid gepleegd vóór 19 november 1996 wegens verjaring, met vernietiging van dat deel van het arrest.