ECLI:NL:PHR:2005:AS5109
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt weigering erkenning buitenlands erkend kind bij gehuwde erkenner
Verzoeker, geboren in Turkije in 2001 en erkend door zijn vader in Turkije in 2001, vroeg bij de Nederlandse rechtbank vaststelling van zijn Nederlanderschap op grond van de erkenning door zijn vader, die in Nederland de nationaliteit had en gehuwd was met een andere vrouw dan de moeder van verzoeker.
De rechtbank wees het verzoek af omdat de erkenning in Turkije geen effect heeft in Nederland, aangezien volgens Nederlands recht een gehuwde man een kind alleen kan erkennen na voorafgaande rechterlijke toets of een nauwe persoonlijke betrekking bestaat. Deze regels zijn neergelegd in artikel 1:204 lid 1 onder Pro e BW en de Wet conflictenrecht afstamming.
Verzoeker stelde in cassatie dat deze regels niet van toepassing waren op erkenningen vóór de inwerkingtreding van de Wet conflictenrecht afstamming in 2003. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht aannam dat de bepalingen van die wet reeds het geldende Nederlandse recht in 2001 weerspiegelden en dat de erkenning door een gehuwde man zonder rechterlijke toets in strijd is met de Nederlandse openbare orde.
De Hoge Raad bevestigde dat de regeling van de Wet conflictenrecht afstamming aansluit bij de rechtsontwikkeling en dat de openbare orde-exceptie bedoeld is om misbruik van erkenning ter omzeiling van adoptiewetgeving te voorkomen. De cassatie werd verworpen en de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap gehandhaafd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de erkenning van verzoeker door zijn gehuwde vader in Turkije in Nederland geen rechtsgevolg heeft en wijst het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap af.