6. Samengevat blijkt uit de bewijsmiddelen het volgende.
- Verdachte is op 16 september 2001 samen met de medeverdachte en hun beider vrouwen vanuit [plaats B] 's middags bij het slachtoffer op bezoek geweest. Deze afstand is in ongeveer 20 minuten te rijden. Verdachte is die dag samen met zijn medeverdachte [...] een tweede keer naar het slachtoffer in [plaats A] gegaan. Dit bezoek was onaangekondigd en men kwam omstreek 19.00 uur die avond aan. Het slachtoffer heeft de deur geopend voor verdachte en zijn mededader. Zij hebben in de keuken koffie gedronken terwijl het slachtoffer bezig was aardappelen te schillen en ondertussen wat in pannetjes die op de kachel stonden roerde. Tussen 21.00 uur en 21.10 uur waren verdachte en [medeverdachte] terug in [plaats B]. Verdachte heeft in augustus 2001 een flat in [plaats B] gekregen. Hij heeft toen van [medeverdachte] een salontafel gekregen. Hij heeft deze tafel in Culemborg opgehaald. Deze kon achterin zijn auto. De klep kon gewoon dicht. Een spin was daarvoor niet nodig. Hij heeft nooit een spin in de auto gehad. Verdachte heeft op 20 maart 2002 een brief geschreven aan zijn toenmalige vrouw [betrokkene 1]. In die brief staat de zin "..de enigste die exact weten wat en waar er gebeurt is, zijn J. + ik en verder niemand". Volgens verdachte slaat "J" op [medeverdachte] (verklaringen verdachte, bewijsmiddelen 1, 4 en 5);
- Medeverdachte [...] bevestigt het verhaal van verdachte grotendeels. Hij verklaart dat hij geen moment met het slachtoffer alleen is geweest en dat hij samen met verdachte door de voordeur vertrokken is (verklaring [medeverdachte], bewijsmiddelen 3);
- In een brief van verdachte van 20 maart 2002 gericht aan zijn vrouw [betrokkene 1] staat de volgende zin: "..de enigste die exact weten wat en waar er gebeurt is, zijn J. + ik en verder niemand" (bewijsmiddel 2);
- Op maandag 17 september 2001 is het slachtoffer dood aangetroffen in zijn woning. De voordeur was niet op slot maar stond 'aan'. Het slachtoffer had een plastic zak om zijn hoofd. Om zijn hals zat een 'spin', snelbinder (bewijsmiddel 6);
- Schouwing van het lichaam van het slachtoffer, [...], leerde dat uitwendig mechanisch samensnoerend geweld op de hals het intreden van de dood volledig verklaart (bewijsmiddelen 7, 8 en 9);
- Onderzoek in de woning wees uit dat de voordeur 'aan' stond en niet slotvast was afgesloten, dat in de woning geen braaksporen zijn aangetroffen, dat op de keukentafel twee kopjes stonden met een restje koffie, dat het koffiezetapparaat nog aan stond, dat in de koffiepot nog een laagje koffie aanwezig was, dat op de kachel drie pannen stonden met respectievelijk gekookte snijbonen, gebraden vlees en soep en dat op de gevelkachel onder het raam een pan met geschilde ongekookte aardappelen stond. Het slachtoffer lag in de deuropening met de douche. Om zijn hals was een snelbinder geknoopt. De snelbinder was met twee lussen strak om de hals geknoopt. Deze snelbinder was voorzien van twee metalen haken. De haken kregen het spoornummer SL1/1 en SL1/2 (bewijsmiddel 10);
- Het NFI heeft de haken van de spin onderzocht. Het komt tot de conclusie dat het celmateriaal vanaf de textiele uiteinden van de haken van de spin afkomstig kan zijn van verdachte [medeverdachte]. De kans dat een willekeurig individu hetzelfde DNA-profiel bezit als dat van het onderzochte celmateriaal bedraagt minder dan één op de miljard. Hieruit kan geconcludeerd worden dat zich op de textiele delen vlak boven beide haken waarmee de knoop in de als strangulatiemiddel gebruikte spin moet zijn aangetrokken, celmateriaal van de verdachte [medeverdachte] heeft bevonden (bewijsmiddel 11);
- Volgens de gerechtelijk deskundige drs. J.M. Kockx is om huid-epitheel vanaf de handen op een voorwerp achter te laten in ieder geval een zekere krachtsuitoefening nodig. Het materiaal (vezels) van de spin is zodanig dat bij een langsschurend of trekkend contact huidcellen kunnen worden afgeschraapt. Deze kunnen in de microscopische holten tussen de vezels terechtkomen (bewijsmiddel 12);
- De interieurverzorgster [getuige 1], die al tien jaar twee keer per week voor het slachtoffer werkte, heeft de woning van het slachtoffer bekeken. Zij constateerde dat het koffiezetapparaat gedeeltelijk met koffie was gevuld. Dit was heel ongebruikelijk, omdat het slachtoffer het apparaat altijd schoonmaakte en dan een schoon laagje water in de pot achterliet. Er stonden twee koffiekopjes op de keukentafel. Deze kopjes gebruikte het slachtoffer alleen als er visite kwam. Het slachtoffer deed altijd eerst de afwas voordat hij naar bed ging. Het was in tien jaar nog niet voorgekomen dat de afwas niet was gedaan. Uit de op de tafel aanwezige voorwerpen leidt ze af dat het slachtoffer bij het koffiedrinken aanwezig is geweest, maar zelf geen koffie heeft gedronken. De hoeveelheid koffie in de pot doet haar vermoeden dat er voor twee keer twee kopjes koffie is gezet, maar dat deze niet is opgedronken. Het slachtoffer zou nooit te veel koffie zetten. Ze denkt dat het slachtoffer niet in de huiskamer is geweest, omdat anders de gordijnen daar wel dicht waren geweest. Het slachtoffer at als hij overdag thuis was altijd 's middags warm. Als hij overdag weg was ging hij 's avonds warm eten. (bewijsmiddelen 13, 14, 15 en 16);
- De dochter van het slachtoffer, [getuige 2], bevestigt de verklaring van de interieurverzorgster in grote trekken. Zij merkt voorts nog op dat ze op een haar getoonde foto op de keukentafel twee flessen en een pak melk zag staan. De koffiemelk ruimde het slachtoffer gewoonlijk pas op als de visite klaar was met koffiedrinken. De koffiemelk zette hij altijd in de koelkast. Het slachtoffer is op 16 september 2001 een stoel gaan brengen bij zijn nichtje in Den Briel. Haar vader ging gewoonlijk pas om 01.00 uur 's nachts naar bed ging (bewijsmiddelen 17 en 18);
- Volgens het nichtje van het slachtoffer, [betrokkene 2], was het slachtoffer op 16 september 2001 om 13.00 uur bij haar om een stoel te brengen. Omstreeks 13.30 uur heeft ze met hem samen een boterham gegeten. Omstreeks 17.30 uur is hij vertrokken en omstreeks 18.25 uur belde hij dat hij weer thuis was (bewijsmiddel 19);
- De getuige [getuige 3] zag op 16 september 2001 omstreeks 22.45 uur of 23.00 uur, toen hij langs de woning van het slachtoffer reed, geen licht in de woning van het slachtoffer branden, terwijl hij regelmatig rond dat tijdstip langs die woning komt en er dan altijd licht brandt (bewijsmiddel 20);
- De buurtbewoner [betrokkene 3] heeft het slachtoffer op 16 september 2001 omstreeks 19.00 uur nog buiten zien lopen in de richting van zijn woning (bewijsmiddel 21);
- Op 16 september ging de zon om 19.52 uur onder en op 17 september kwam deze om 07.18 op. De burgerlijke schemering duurde na zonsondergang en voor zonsopkomst ca. 34 minuten (bewijsmiddel 22).