ECLI:NL:PHR:2005:AS2023
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Tussenarrest Hoge Raad over uitleveringsverzoek en ontvankelijkheid verzet bij verstekvonnis België
In deze zaak gaat het om een uitleveringsverzoek van België aan Nederland betreffende een persoon die bij verstek is veroordeeld door de correctionele rechtbank te Brussel voor drugshandel. De Nederlandse Hoge Raad onderzoekt of het verzet tegen het verstekvonnis nog ontvankelijk is, wat bepalend is voor de toelaatbaarheid van uitlevering.
De stukken bevatten onder meer het verstekvonnis, betekening daarvan, en correspondentie over de toepasselijke Belgische verzettermijnen. Volgens het Belgische recht kan een buitengewoon verzet worden ingesteld binnen vijftien dagen na kennisneming van de betekening, waarbij kennisneming een feitelijke beoordeling is. De opgeëiste persoon heeft in augustus 2002 door inzage in het dossier kennis genomen van de betekening van 5 september 1996, waarna de verzettermijn is gaan lopen.
De Hoge Raad concludeert dat de verzettermijn inmiddels ruimschoots is verstreken en het verstekarrest daarmee onherroepelijk is geworden. Dit betekent dat uitlevering ter executie van de straf ontoelaatbaar is, gelet op het Nederlandse voorbehoud dat Nederlanders niet worden uitgeleverd voor strafuitvoering. De zaak is aangehouden om de Belgische autoriteiten gelegenheid te geven te reageren, maar uiteindelijk wordt het verzoek tot vervolgingsuitlevering ontoelaatbaar verklaard.
Uitkomst: Het uitleveringsverzoek wordt ontoelaatbaar verklaard omdat het verstekvonnis onherroepelijk is en uitlevering ter executie van straf niet is toegestaan.