1 De feiten zijn ontleend aan rov. 4.1 en 4.2 van 's hofs bestreden beschikking d.d. 16 oktober 2003.
2 Het verzoekschrift tot cassatie is op 16 januari 2004 bij de Hoge Raad binnengekomen.
3 Op p. 6 onderaan t/m p. 7 eerste blok, hierna in par. 3.13 weergegeven.
4 Zie p. 4, onder B.
5 Nr. 8 in het A-dossier, nr. 5 in het B-dossier: pp. 1 en 2 van de brief.
6 Zie nota van inlichtingen, nr. 16 in het A-dossier, nr. 12 in het B-dossier: pp. 2 en 3.
7 Zie pleitaantekeningen, nr. 17 in het A-dossier, nr. 13 in het B-dossier: nrs. 29-32.
8 Zie nr. 20 in het B-dossier: p. 3. Dit stuk bevindt zich niet in het A-dossier.
9 Zie pp. 4 en 5.
10 De advocaat van de man.
11 De advocaat van de vrouw.
12 De door het hof in rov. 4.7 vastgestelde behoefte van de vouw bedroeg € 361,- netto per maand. (Ook) hiervoor bood de draagkracht van de man geen ruimte (rov. 4.10).
13 HR 25 mei 1962, NJ 1962, 266.
14 Vgl. bijv. HR 10 september 1999, nr. R98/146HR, NJ 2000, 82 (rov. 3.2) en HR 23 november 2001, nr. R01/019HR, NJ 2002, 280 (rov. 3.4.2) m.nt. JdB. Zie ook Asser-De Boer, (2002), nr. 624, p. 440.
15 'Het hof zal derhalve in redelijkheid rekening houden met kosten voor bedrijfshulp voor een bedrag van € 5.000,-- op jaarbasis (...)'.
16 Zie het verzoekschrift tot cassatie, p. 5, bovenaan.
17 Ik geef aan de term 'arbeidsparticipatie' verre de voorkeur boven de term 'arbeidsinzet', waarvan Van Dale (13e druk 1999) als (enige) betekenis vermeldt: 'gedwongen tewerkstelling in Duitsland tijdens WO II van mannen van zeventien tot veertig jaar (vanaf 14-4-1942)'.
18 Vgl. bijv. HR 29 september 1978, NJ 1979, 143 en HR 10 december 1999, nr. R99/020HR, NJ 2000, 4. Zie ook Asser-De Boer (2002), nr. 626, pp. 443-444.
19 M.i. kan ook in dit verband van de onderhoudsplichtige verwacht worden dat hij 'de tering naar de nering zet': vgl. HR 11 oktober 1968, NJ 1969, 5 en HR 30 mei 1980, NJ 1981, 111 m.nt. EAAL en Asser-De Boer (2002) t.a.p.
20 Verwezen wordt naar zijn verweerschrift in appel, p. 5, tweede alinea en naar de producties 5A, 5B, 10A en 10B.
21 Zie de als productie 8 bij verweerschrift in eerste instantie overgelegde brief van de man.
22 Zie de nota van inlichtingen t.b.v. de comparitie bij de rechtbank van 1 juli 2002, (nr. 16 in het A-dossier, nr. 12 in het B-dossier), p. 3.
23 Productie bij even genoemde nota van inlichtingen.
24 Productie 3 bij verweerschrift in hoger beroep.
25 Zie pleitaantekeningen namens de vrouw in hoger beroep d.d. 22 mei 2003, p. 3: 'Ter onderbouwing van de bedrijfsomvang en de arbeidsbehoefte heeft de man een rapport in het geding gebracht van DLV (verweerschrift Produktie 3). Verder is er nog een brief in het geding gebracht van [A] (Produktie 1). De man spreekt zichzelf tegen. In het rapport van DLV wordt gesproken over 652.000 kg melk. In het rapport van [A] wordt gesproken over 580.000 kg melk. Ten aanzien van het rapport van DLV kan worden opgemerkt, dat ten aanzien van de arbeidsbehoefte gesproken wordt over algemene kengetallen, terwijl de daadwerkelijke arbeidsbehoefte juist afhankelijk is van de concrete productieomstandigheden op een bedrijf. Hierover wordt in het rapport van DLV niets gezegd. Bovendien werkt het bedrijfshoofd meer dan 2323 uur. Om die reden is het rapport van DLV nog ook nauwelijks bruikbaar voor de vaststelling van de daadwerkelijke arbeidsbehoefte op het bedrijf van de man.'
26 Vgl. bijv. HR 29 juni 2001, nr. R00/174HR, NJ 2001, 495 (rov. 3.3) en HR 10 oktober 2003, nr. R03/032HR, NJ 2004, 37 (rov. 3.3).
27 Vgl. bijv. HR 10 september 1999, nr. R98/146HR, NJ 2000, 82 (rov. 3.5) en HR 10 december 1999, nr. R99/020HR, NJ 2000, 4 (rov. 3.2).
28 Zie het proces-verbaal, p. 4.
29 Zie verweerschrift in hoger beroep, p. 6, laatste alinea.
30 Vgl. HR 12 november 1993, NJ 1994, 141 m.nt. WHS en HR 1 februari 2002, nr. R01/082HR, NJ 2002, 184. Vgl. ook Asser-De Boer (2002), nr. 625, pp. 441-442.
31 HR 27 maart 1992, NJ 1992, 395