ECLI:NL:PHR:2005:AR7930
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Uitleg van het begrip burgerlijke en handelszaken in de Betekeningsverordening bij fiscale aansprakelijkheidsvordering
In deze zaak vordert de Ontvanger van de Belastingdienst Amsterdam betaling van naheffingsaanslagen omzetbelasting van een voormalig bestuurder van een vennootschap. De primaire grondslag van de vordering is gelegen in specifieke fiscale aansprakelijkheidsbepalingen van de Invorderingswet 1990, subsidiair op grond van onrechtmatige daad. De Ontvanger heeft de verweerder gedagvaard in het Verenigd Koninkrijk, waarbij de vraag rijst of de betekening van de dagvaarding moet voldoen aan de Europese Betekeningsverordening.
De Betekeningsverordening is van toepassing op burgerlijke en handelszaken, maar sluit fiscale zaken uit. De kernvraag is of de door de Ontvanger ingestelde vordering kwalificeert als een burgerlijke of handelszaak in de zin van de Betekeningsverordening, gelet op het feit dat de primaire grondslag een fiscale bevoegdheid betreft en de subsidiaire grondslag privaatrechtelijk is.
De Hoge Raad overweegt dat het begrip burgerlijke en handelszaken autonoom moet worden uitgelegd, met inachtneming van relevante rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Uit deze rechtspraak volgt dat vorderingen van overheidsinstanties die handelen op grond van overheidsbevoegdheid niet onder burgerlijke zaken vallen, maar civiele vorderingen in fiscale zaken soms wel.
Gezien de complexiteit en het ontbreken van een eenduidige uitleg, besluit de Hoge Raad prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie over de uitleg van art. 1 lid 1 van Pro de Betekeningsverordening. De beslissing op het verzoek tot verstekverlening wordt aangehouden totdat het Hof van Justitie uitspraak heeft gedaan.
Uitkomst: De Hoge Raad houdt de beslissing aan en stelt prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van het begrip burgerlijke en handelszaken in de Betekeningsverordening.