ECLI:NL:PHR:2005:AR6604

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 januari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01480/04 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking teruggave ernstig verwaarloosde pony’s en verwijst zaak terug

De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de Rechtbank te Assen van 14 mei 2004, waarin het beklag tot teruggave van onder klager inbeslaggenomen paarden en pony’s gegrond werd verklaard. De rechtbank oordeelde dat het proces-verbaal van inbeslagneming zodanige gebreken vertoonde dat zij niet kon beoordelen of de inbeslagneming rechtmatig was en of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzette.

De Hoge Raad stelt vast dat de rechtbank onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het proces-verbaal te gebrekkig was om de rechtmatigheid van het beslag en het belang van de strafvordering te beoordelen. De rechtbank baseerde haar oordeel mede op een mededeling van een dierenarts die stelde dat de pony’s ernstig en zeer ernstig vermagerd waren. Volgens de Hoge Raad staan deze gebreken niet in de weg aan een beoordeling, eventueel na nader onderzoek.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden voor hernieuwde behandeling van het beklag. De zaak benadrukt het belang van een volledige en juiste motivering bij beslissingen over beslag en teruggave, zeker wanneer dieren in ernstige staat zijn aangetroffen.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt beschikking teruggave ernstig verwaarloosde pony’s en verwijst zaak terug naar gerechtshof.

Conclusie

Nr. 01480/04 B
Mr. Machielse
Zitting 23 november 2004
Conclusie inzake:
[klager]
1. Het cassatieberoep richt zich tegen een beschikking van de Rechtbank te Assen van 14 mei 2004 waarbij de Rechtbank het beklag strekkende tot teruggave van onder [klager] inbeslaggenomen paarden en pony's gegrond heeft verklaard en de teruggave van de dieren aan beslagene heeft gelast.
2. Het cassatieberoep is ingesteld door de Officier van Justitie. Deze heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Namens klager heeft mr. C.A. van Kooten-de Jong, advocaat te Deventer, gereageerd op de schriftuur van de Officier van Justitie.(1)
3. Het middel bevat de klacht dat de beslissing van de Rechtbank waarbij zij het beklag gegrondverklaard heeft en de teruggave van de dieren heeft gelast onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
4. De Rechtbank heeft haar beslissing doen steunen op de volgende overwegingen:
"De rechtbank stelt vast dat uit de kennisgeving van inbeslagneming en uit (andere onderdelen van het) opgemaakte proces-verbaal blijkt dat 12 pony's in beslag zijn genomen waarvan 1 ter plaatse moest worden geëuthanaseerd.
Gelet op het (inleidend) klaagschrift en het verhandelde ter zitting moet er evenwel van worden uitgegaan dat weliswaar 12 dieren in beslag zijn genomen maar dat het niet alleen pony's maar ook paarden betreft. In zoverre is het opgemaakte proces-verbaal derhalve niet juist.
Verder is in de kennisgeving van inbeslagneming of elders in het proces-verbaal niet een nadere specificatie van de inbeslaggenomen dieren gegeven. Zo is niet aangegeven van welk(e) ras(sen) en geslacht de dieren zijn en wat de (geschatte) leeftijd is. Voor de bepaling van de waarde van de inbeslaggenomen dieren is dit onontbeerlijk. De enkele opmerking in de kennisgeving van inbeslagneming dat de waarde van de dieren nihil is, is in het aanvullend klaagschrift en ter openbare raadkamer gemotiveerd betwist. Onder verwijzing naar de paardenpaspoorten en de vermelding van veulens in de stamboeken is onbetwist gesteld dat de waarde van de inbeslaggenomen dieren wel zo'n 14000 euro bedraagt.
Evenmin is per dier omschreven in welke staat dit verkeerde op het moment van de inbeslagneming. Dit klemt te meer nu uit de bij het proces-verbaal gevoegde verklaring van de dierenarts Nijenhuis blijkt dat niet alle dieren in dezelfde staat verkeerden.
Dierenarts Nijenhuis spreekt over ernstig en zeer ernstig vermagerde pony's.
Het vorenstaande brengt mee dat zodanige gebreken kleven aan het proces-verbaal dat de rechtbank niet in staat is te beoordelen of de inbeslagneming rechtmatig is geweest en/of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet. De rechtbank zal hieraan -in het licht van belangen van klager daarbij- de gevolgtrekking aan verbinden dat de teruggave van de inbeslaggenomen dieren wordt gelast.
De rechtbank zal het klaagschrift derhalve gegrond verklaren."
5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het belang van strafvorderlijk beslag aanwezig is als zich niet het geval voordoet waarin het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelende de desbetreffende voorwerpen verbeurd zal verklaren. En dat het in dat licht onbegrijpelijk is dat de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat er dusdanige gebreken aan het proces-verbaal van inbeslagneming kleven dat zij niet tot het oordeel kon komen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de 12 ernstig dan wel zeer ernstig vermagerde dieren verbeurd zou verklaren. De door de Rechtbank geconstateerde tekortkomingen raken immers niet de kern van de inbeslagneming.
6. De Rechtbank heeft zich niet over het al dan niet aanwezige belang van strafvordering uitgelaten. Zij verklaart zich immers niet in staat om te beoordelen of de inbeslagneming rechtmatig is geweest en/of het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet. En nu de Rechtbank zich niet in staat acht een oordeel te vellen geeft ze de dieren maar terug aan de beslagene.
7. Maar de Rechtbank haalt wel dierenarts Nijenhuis aan die de inbeslaggenomen dieren beschrijft als ernstig en zeer ernstig verwaarloosde pony's. In dat licht meen ik dat de beslissing van de Rechtbank onbegrijpelijk is en dat deze derhalve niet in stand kan blijven. Voorzover het middel daarover klaagt is het gegrond.
8. Tussen de regels van de beslissing door ontstaat bij mij overigens de indruk dat de Rechtbank op grond van de door klager verschafte informatie zich wel degelijk een beeld over het belang van strafvordering heeft gevormd. Al was het maar omdat de details die de Rechtbank in het proces-verbaal van inbeslagneming had willen zien, grotendeels door klager worden verschaft. Ik heb daarom ook gekeken of wellicht de beslissing van de Rechtbank gelezen kan worden als inhoudende dat het belang van strafvordering, gelet op de te summiere en in de ogen van de Rechtbank ook onjuiste informatie opgenomen in het proces-verbaal van inbeslagneming afgezet tegen de uitgebreide en gespecificeerde informatie verschaft door de klager, zich niet tegen teruggave verzet.
Ik meen echter dat dit niet kan. Met name niet omdat de Rechtbank uitdrukkelijk stelt niet in staat te zijn om de beoordelen of de inbeslagneming rechtmatig is geweest en/of het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet.
Het ware anders indien de Rechtbank had gemeend dat de door klager verschafte en onweersproken inlichtingen tot de conclusie zouden voeren dat er van verwaarlozing geen sprake was en dat aan de voorwaarde voor voortduring van het beslag, dat het belang van strafvordering zulks zou vorderen, niet voldaan zou zijn.
9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Leeuwarden, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Een kleine 30 jaar geleden leek de Hoge Raad in HR 18 maart 1975, NJ 1975, 232, m.nt. Th.W.v.V. acht te slaan op een dergelijke schriftelijke bestrijding van een door het Openbaar Ministerie ingediende cassatieschriftuur in een beroep in cassatie van een beschikking, hoewel de wet met betrekking tot cassatie van beschikkingen niet voorzag in zo'n mogelijkheid tot tegenspraak. De A.G. en de annotator in die zaak zagen als ratio dat anders de positie van een belanghebbende bij een OM-cassatie van een beschikking ongunstiger zou zijn dan de positie van een verdachte bij een OM-cassatie van een uitspraak, waar toen art. 439 Sv Pro (en tegenwoordig art. 438 Sv Pro) wel voorzag in een mogelijkheid het cassatieberoep van het OM tegen te spreken. Ik ga er van uit dat Uw Raad ook in deze zaak acht zal slaan op de schriftelijke reactie op de schriftuur van de Officier van Justitie.