ECLI:NL:PHR:2005:AR5742

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 februari 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00872/04
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid van hoger beroep wegens ontbreken pleitnotitie bij stukken

In deze zaak heeft het Gerechtshof Amsterdam de verdachte deels niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld tot het verrichten van arbeid ten algemenen nutte. Namens verdachte werden vijf cassatiemiddelen ingediend, waarvan het eerste middel klaagde over het ontbreken van de pleitnotitie die volgens het proces-verbaal aan het hof was overgelegd.

De Hoge Raad constateerde dat de pleitnotitie niet bij de aan haar toegezonden stukken aanwezig was en dat navraag bij het hof geen resultaat opleverde. Hierdoor kon niet worden vastgesteld welke verweren ter terechtzitting waren gevoerd, wat een ernstig verzuim is dat de behoorlijke procesorde schaadt.

Dit verzuim werd als onherstelbaar beoordeeld, waardoor de Hoge Raad het arrest vernietigde en de zaak verwees naar een ander hof voor hernieuwde berechting. De overige middelen bleven buiten bespreking omdat het eerste middel reeds tot vernietiging leidde.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van de pleitnotitie, en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 00872/04
Mr. Vellinga
Zitting: 9 november 2004
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft - na verwijzing door de Hoge Raad bij arrest van 30 oktober 2001 - de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep ten aanzien van de feiten 2 en 4 en de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde en hem wegens 1 meer subsidiair en 3, tezamen opleverende "diefstal meermalen gepleegd" veroordeeld tot het verrichten van arbeid ten algemenen nutte voor de duur van 30 uren, in plaats van een maand gevangenisstraf. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde straf en heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel behelst klacht dat het onderzoek aan nietigheid leidt nu de pleitnota, die blijkens het proces-verbaal van de zitting van 30 juni 2003 aan het Hof is overgelegd, zich niet bij de stukken bevindt.
4. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich niet de pleitnota die volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 juni 2003 aan het Hof is overgelegd. Navraag bij de strafgriffie van het gerechtshof leverde slechts op dat als er een pleitnota is overlegd deze zich dan moet bevinden bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken. Ook nogmaals navragen heeft niets opgeleverd. Door het ontbreken van de pleitnota kan niet worden nagegaan of en zo ja welke verweren ter terechtzitting zijn gevoerd. Daarom strijdt dit verzuim zo zeer met de behoorlijke procesorde dat het, nu het onherstelbaar is, nietigheid van het onderzoek en van de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak met zich brengt(1).
5. Het middel is gegrond.
6. Nu reeds op de hiervoor genoemde grond het arrest niet in stand kan blijven, kunnen de overige ingediende middelen buiten bespreking blijven.
7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 29 juni 1993, DD 93.490; HR 1 december 1998, NJ 1999, 470 m.nt. 'tH en HR 14 januari 2003, nr. 00856/01 (LJN: AF1286).