ECLI:NL:PHR:2005:AR5386
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenarrest in nalatenschapszaak
In deze zaak betreft het een nalatenschapsgeschil tussen deelgenoten, waarbij eiseres hoger beroep instelde tegen tussenvonnissen van het hof. Het hof bevestigde de tussenvonnissen en gaf een bewijsopdracht aan eiseres. Volgens de Wet van 6 december 2001, die op 1 januari 2002 in werking trad, is beroep in cassatie tegen een tussenarrest slechts mogelijk tegelijk met het eindarrest, tenzij het hof anders bepaalt of uitzonderingen van toepassing zijn.
Eiseres stelde dat zij hierdoor in haar recht werd beperkt omdat zij geen afzonderlijk cassatieberoep tegen het tussenarrest kon instellen. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en benadrukte dat het cassatieberoep tegen het tussenarrest niet is uitgesloten, maar slechts gebonden is aan de termijnregeling van art. 401a lid 2 Rv. Tevens wees de Hoge Raad erop dat eiseres tussentijds cassatieberoep had kunnen verzoeken toe te staan.
De conclusie van de Procureur-Generaal was dat eiseres niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar cassatieberoep omdat zij niet binnen de wettelijke termijnen en voorwaarden beroep had ingesteld. Dit arrest bevestigt de toepassing van de nieuwe procesrechtelijke regels op lopende procedures en verduidelijkt de positie van cassatieberoepen tegen tussenarresten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-naleving van art. 401a lid 2 Rv.